NIMH | 1568-1648: In opstand tegen Spanje

Spring naar inhoud

Contact | Sitemap | FAQ | English |
Zoeken
Home » Geschiedenis » Tijdbalk » 1568-1648
Bladzijde uit Spaans stripverhaal. M. Sentis-Aguado, Van der Doez en Canarias, 1983. NIMH.

1568-1648: In opstand tegen Spanje

De oorsprong van de Nederlandse zeemacht ligt in de vijftiende eeuw. Ter bescherming van handel en scheepvaart was een maritieme defensie noodzakelijk. Aanvankelijk droeg deze een plaatselijk of zelfs particulier karakter. Kooplieden en bestuurders van havensteden handelden geheel op eigen initiatief. Defensieve maatregelen om buitenlandse concurrenten, piraten en kapers van het lijf te houden waren bijvoorbeeld konvooiering en bewapening van koopvaardijschepen. Daarnaast reikten stadsbesturen of landsheren ten tijde van oorlog kaper- of commissiebrieven uit, waarmee zij schippers permissie gaven om schepen van de tegenstander buit te maken. Het centrale gezag probeerde tevergeefs het toezicht op de oorlogsvaart te vergroten. In 1488 vaardigde Maximiliaan van Habsburg de Ordonnantie op de Admiraliteit uit, waarmee voor het eerst een permanente marineorganisatie voor de Nederlanden tot stand kwam. De defensie ter zee werd wettelijk geregeld en opgedragen aan een admiraal als plaatsvervanger van de vorst.
 
De oorsprong van de Nederlandse landmacht ligt in de zestiende eeuw. De Nederlanden bestonden toen uit zeventien gewesten ('provincies') – ongeveer het grondgebied van het huidige Nederland, België en Luxemburg – en maakten deel uit van het Spaanse wereldrijk. Koning Filips II, die regeerde van 1555 tot 1598, liet zich voor het bestuur van de Nederlanden vertegenwoordigen door een landvoogd. De koning wilde het bestuur hier moderniseren en centraliseren. Dit beleid stuitte spoedig op verzet. Het tastte namelijk de rechten en vrijheden aan die de bevolking in de verschillende gewesten onder vorige landsheren had verkregen. Filips II wilde ook nieuwe belastingen invoeren. Verder was hij als overtuigd katholiek fel gekant tegen de opkomst van de protestantse geloofsgemeenschappen in de Nederlanden. Hierdoor joeg hij alle protestanten tegen zich in het harnas. Daar kwam nog bij dat er in de jaren 1560 vooral in de zuidelijke gewesten een economische crisis heerste, die tot grote maatschappelijke onrust leidde.

De vlam sloeg in de pan met de Beeldenstorm in 1566. Radicale Calvinisten plunderden toen in een groot aantal gewesten de kerken en de kloosters. Filips besloot daarop de orde met harde hand te herstellen. In 1567 stuurde hij de Hertog van Alva met een volledige militaire volmacht naar de Nederlanden. Willem van Oranje, een hoge edele, wierp zich op als leider van het verzet. Om de strijd tegen Alva aan te binden formeerde hij in zijn thuisland Nassau enkele militaire eenheden. In 1568 organiseerde hij een serie invallen in de Nederlanden. Zo begon hier de strijd tegen het Spaanse bestuur, die bekend staat als de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) of - buiten ons land - als de Nederlandse Opstand.

In 1572 kwamen Holland en Zeeland openlijk in opstand. In de strijd die volgde, traden beide partijen hard en meedogenloos op. De zuidelijke en de noordelijke gewesten groeiden spoedig uiteen. De zuidelijke provincies, gelegen in het huidige België en Luxemburg, bleven trouw aan de koning of werden door Spanje heroverd. De provincies in de noordelijke helft zetten de opstand voort. Zij sloten zich rond 1588 aaneen tot een confederatie, de Republiek der Verenigde Nederlanden. Sindsdien droeg de oorlog tegen Spanje een regulier karakter.

In 1576 ontstond er een meer geregelde strijdmacht. Die werd het Staatse leger genoemd, omdat ze onder bevel stond van de Staten-Generaal. Dit was een vergadering van afgevaardigden uit de gewesten, die zaken van gemeenschappelijk belang regelde. Pas vanaf 1590 werd het leger door toedoen van prins Maurits en zijn neef Willem Lodewijk een goed georganiseerde en professionele strijdmacht. Het Staatse leger bleef voorlopig nog erg klein. In de tijd van Maurits telde het veldleger hoogstens 10.000 man. Frederik Hendrik slaagde er in een veldleger van 30.000 man op de been te brengen, maar een dergelijke prestatie kon maar korte tijd worden volgehouden. Financiële en logistieke factoren beperkten de militaire mogelijkheden in die tijd nog heel sterk.

De Opstand noopte ook tot een betere regeling van het marinebestuur. Op 13 augustus 1597 werd het beheer van het zeewezen in een Instructie voor de Admiraliteiten door de Staten-Generaal vastgelegd. Vanaf dat jaar lag de maritieme verdediging van de Republiek in handen van vijf admiraliteitscolleges: de Maze, Amsterdam, Zeeland, het Noorderkwartier en Friesland. De colleges zetelden in Rotterdam, Amsterdam, Middelburg, beurtelings in Hoorn en Enkhuizen en in Dokkum (vanaf 1645 Harlingen).
 
De admiraliteitscolleges werden bestuurd door de heren raden ter admiraliteit. In theorie was de Prins van Oranje in zijn functie van admiraal-generaal voorzitter van elk college. In de praktijk liet hij zich vertegenwoordigen door een luitenant-admiraal. Hoewel de admiraliteitscolleges generaliteitsorganen waren, was de gewestelijke invloed groot. De admiraliteit van Amsterdam maakte in het algemeen de dienst uit. Dit college nam het leeuwendeel van de activiteiten van 's lands zeemacht voor zijn rekening. De belangrijkste taak van de colleges was het bouwen, onderhouden en uitrusten van de oorlogsvloot. Voorts waren ze belast met het innen en beheren van in- en uitvoerrechten - de zogenoemde convooien en licenten - het benoemen van lagere officieren en (prijs)rechtspraak.

Gedurende de Tachtigjarige Oorlog was de Republiek betrokken bij tal van zeeslagen. Hoofddoel van de vlootacties was het openhouden van de handelsroutes op zee en de verdediging van het grondgebied. Een Staatse vloot trad in 1607 succesvol op tegen een Spaanse vloot in de Baai van Gibraltar. Overige vlootactiviteiten betroffen blokkades van de Vlaamse kust, konvooiering van de handelsvloten richting de Oostzee en de Middellandse Zee en bescherming van de visserij.


8 januari 1488: uitvaardiging van de Ordonnantie op de Admiraliteit

Hendrik IV van Borselen, admiraal van de Bourgondische hertogen. Standbeeld in de gevel van het Veerse stadhuis. Foto. NIMH.Met deze ordonnantie, uitgevaardigd door Maximiliaan van Oostenrijk, komt voor het eerst een permanente marineorganisatie voor de Nederlanden tot stand. Daarom wordt 8 januari 1488 gezien als de stichtingsdatum van de Nederlandse marine. De defensie ter zee wordt wettelijk geregeld en opgedragen aan een admiraal als plaatsvervanger van de vorst. Aan deze admiraal van de zee of admiraal-generaal van de Nederlanden worden omvangrijke bevoegdheden toegekend. Zo verkrijgt hij alle jurisdictie in zeezaken. Oorlogsschepen mochten alleen met zijn toestemming worden uitgerust. De ordonnantie bewerkstelligt echter geenszins een effectief marinebeleid. De eigenzinnige zeegewesten, met name Holland, blijven buiten de admiraal om zelf oorlogsvloten formeren.


23 mei 1568: Slag bij Heiligerlee

De slag bij Heiligerlee. Prent. NIMH.In 1568 voert Willem van Oranje zijn eerste campagne in de Nederlanden uit. Het doel is het ontketenen van een volksopstand tegen het koninklijk gezag. Willems broers, de graven Adolf en Lodewijk van Nassau, vallen met 3.300 man het gewest Groningen binnen. Op een van hun vaandels staat: Nunc aut nunquam (`Nu of nooit’), tegenwoordig het devies van het Korps Commandotroepen. Bij Heiligerlee, in de buurt van Winschoten, komt het op 23 mei 1568 tot een veldslag. De Spanjaarden worden hier verslagen. Graaf Adolf sneuvelt. De slag wordt weliswaar gewonnen, maar de campagne niet: de volksopstand blijft uit.


1 april 1572: verovering van de havenstad Den Briel door de watergeuzen

Landing van de Watergeuzen bij Den Briel. Prent. NIMH.De watergeuzen zijn vrijbuiters, onder wie veel verarmde edellieden, die leven van zeeroof. Zij worden door Willem van Oranje geronseld voor deelname aan de opstand en vormen een soort marine. Onder aanvoering van Willem van Lumey, graaf van der Mark, veroveren 1.200 geuzen met een vloot van 26 schepen bij verrassing Den Briel (Brielle), en kort erop Vlissingen en Veere. Dit is het sein voor een opstand in Holland en Zeeland, die zich snel uitbreidt. De meeste Hollandse en Zeeuwse steden sluiten zich hierbij aan. Willem van Oranje wordt tot stadhouder van Holland en Zeeland benoemd. Alva bereidt een omvangrijk tegenoffensief voor.


11 december 1572 -13 juli 1573: beleg van Haarlem

Het beleg van Haarlem. Prent. NIMH.13.000 man koninklijke troepen onder commando van Don Frederik, de zoon van Alva, belegeren Haarlem, strategisch gelegen tussen de Noordzee en het IJ. Het beleg vormt het begin van een hevige strijd om de Hollandse steden. De Haarlemse burgers, mannen en vrouwen, de laatsten onder aanvoering van Kenau Simonsdochter Hasselaar, door haar toedoen wordt de Nederlandse taal met het woord kenau verrijkt en het garnizoen onder commando van de watergeus Wigbold Ripperda, verdedigen de stad met grote verbetenheid. De stad valt uiteindelijk door uithongering in Spaanse handen. Het garnizoen en talloze burgers worden onthoofd of verdronken in het Spaarne. Ook de uiteindelijke overwinnaars betalen bij het beleg een hoge prijs: 5.000 doden, voornamelijk door verwondingen, ziekte en ontbering.


21 augustus 1573 - 8 oktober 1573: beleg van Alkmaar

Gevecht op de stadsmuur van Alkmaar. Prent. NIMH‘Van Alkmaar begint de victorie’, luidt het bekende historische gezegde. Pogingen om de stad met stormaanvallen in te nemen mislukken. Don Frederik trekt zich terug op het moment dat de dijken worden doorgestoken en de polders rond de stad onder water komen te staan. Evenals in Haarlem staat ook hier een watergeus aan het hoofd van het garnizoen: Abraham Cabeljau. Het mislukte beleg is een zware tegenslag voor Alva.


30 oktober 1573 - 3 oktober 1574: beleg van Leiden

Leiden is ontzet doordat het omliggende platteland onder water is gezet. Prent. NIMH. Tijdens dit langdurige beleg komen 6.000 burgers door honger om het leven. Ondanks het voedselgebrek geven de Leidenaren hun verzet niet op. Uiteindelijk slagen de opstandelingen erin het gebied rond de stad onder water te zetten. Daardoor moeten de Spanjaarden halsoverkop weg. Op de verlaten Lammenschans treft de bevolking alleen nog potten met dampende hutspot aan. De datum van Leidens ontzet, 3 oktober, wordt hier vanaf 1890 jaarlijks gevierd met een groot stadsfeest. Vaste elementen zijn het uitdelen van haring en wittebrood en het eten van hutspot.


8 november 1576: Pacificatie van Gent

Zinneprent van de pacificatie van Gent. Reproductie van prent. NIMH.In september 1576 nemen de Staten-Generaal troepen in dienst om de muitende Spaanse soldaten te bestrijden. Dit is het begin van het Staatse leger. Op 8 november sluiten vrijwel alle gewesten in Gent een overeenkomst met elkaar, waarin ze onder andere eisen dat de nieuw te benoemen landvoogd alle buitenlandse troepen laat vertrekken. De eendrachtige samenwerking gaat drie jaar later verloren als de zuidelijke gewesten de Unie van Atrecht sluiten en de noordelijke gewesten de Unie van Utrecht. Deze tweedeling blijkt later definitief


10 juli 1584: moord op Willem van Oranje

De moord op Willem van Oranje in de prinsenhof in Delft. Prent uit: Afbeeldinghe, ende Beschrijvinge van alle de Veldslagen (Amsterdam 1616). NIMH.De Franse katholiek Balthasar Gérard (in Nederland altijd Gerardts genoemd) vermoordt Willem van Oranje in het Prinsenhof te Delft. Dit is een groot verlies voor de opstandige gewesten, omdat Willem door zijn bezielende leiderschap de spil van het verzet tegen het Spaans bestuur is geworden. Zijn devies: Je Maintiendrai ('Ik zal handhaven'), dat onder andere in het rijkswapen staat, prijkt nog steeds op het uniform van de Koninklijke Landmacht.


31 januari 1587: prins Maurits van Nassau benoemd tot bevelhebber

Prins Maurits bij Nieuwpoort. Prent. NIMH.Maurits, een zoon van Willem van Oranje, is in 1585 stadhouder geworden van Holland en Zeeland. Op 15 juni 1587 benoemen hem tot generaal (bevelhebber) van het leger. Maurits groeit uit tot een van de toonaangevende veldheren van Europa. Samen met zijn neef, graaf Willem Lodewijk van Nassau, reorganiseert en moderniseert hij het Staatse leger en voert hij een nieuwe infanterietactiek in. Zij ondernemen vanaf 1590 vrijwel jaarlijks een succesvolle veldtocht, waarmee zij vele vestingen op de Spanjaarden veroveren.


4 maart 1590: verovering van Breda

Het turfschip buiten de muren van Breda. Prent. NIMHBreda valt in handen van Maurits (zie 31 januari 1587) door een list: soldaten worden in het turfschip van Adriaan van Bergen de stad in gesmokkeld en weten 's nachts het Spaanse garnizoen te verrassen.


8 mei - 5 juli 1592: beleg van Steenwijk

Het beleg van Steenwijk. Prent. NIMH.Maurits en Willem Lodewijk openen in 1592 de campagne met het beleg van Steenwijk. Dit leidt pas tot succes nadat de mineurs met een springlading een bres in de wal hebben geslagen en de bestorming kan beginnen. De mineurs vormen samen met de sappeurs, die allerhande graafwerk verrichten, de genietroepen. Net als de artillerie spelen zij een belangrijke rol bij belegeringen. De beide neven nemen in 1592 ook Coevorden in. Dit ligt op een belangrijke toegangsweg naar de stad Groningen, die twee jaar later in Staatse handen valt.


13 augustus 1597: Instructie voor de admiraliteiten

Het gebouw van de Amsterdamse admiraliteit in 1782, kopergravure. Marinemuseum Den Helder.

In deze door de Staten-Generaal uitgevaardigde instructie wordt in honderd artikelen de organisatie van het marinebestuur vastgelegd. De instructie voorziet in vijf admiraliteiten, te weten Zeeland, de Maze (Rotterdam), Amsterdam, Friesland en tenslotte West-Friesland en het Noorderkwartier. De admiraliteit van Amsterdam maakt in het algemeen de dienst uit. Dit college neemt het leeuwendeel van de activiteiten van 's lands zeemacht voor zijn rekening.

De admiraliteitsraden staan hiërarchisch onder de (stadhouder-) admiraal, in de regel per gewest vertegenwoordigd door een luitenant-admiraal. De raadsleden van de admiraliteiten, waartoe ook vertegenwoordigers van de landprovincies behoren, worden op voordracht van de provincies door de Staten-Generaal benoemd. Hoewel de admiraliteitscolleges generaliteitsorganen zijn, is de gewestelijke invloed groot. De gezamenlijke vergaderingen van afgevaardigde raden van de admiraliteiten te ’s-Gravenhage (de Haagse Besognes) brengen hierin geen verandering. 

Conform de Instructie voor de Admiraliteiten zijn de colleges belast met het innen en beheren van in- en uitvoerrechten, de zogenoemde convooien en licenten. Voorts benoemen zij de lagere officieren; de vlagofficieren en kapiteins worden aangesteld door de stadhouder of de Staten-Generaal op voordracht van de admiraliteitscolleges. De admiraliteitsraden hebben ook juridische bevoegdheden. Zo spreken zij recht over zware delicten en treden zij op als prijsgerecht ten aanzien van buitgemaakte schepen en ladingen. De belangrijkste taak is het bouwen, onderhouden en uitrusten van de oorlogsvloot. De Staten-Generaal stellen hiertoe algemene richtlijnen op. De vijf admiraliteiten beschikken ieder over een eigen walorganisatie met kantoren, werven en magazijnen. Een en ander wordt bekostigd uit de opbrengsten van de in- en uitvoerrechten en subsidies van de Staten-Generaal. De instructie blijft tot 1795 ongewijzigd van kracht.


1 juli 1600: Slag bij Nieuwpoort

Prins Maurits bij Nieuwpoort. Prent. NIMH.De bekendste slag in de Nederlandse geschiedenis. Maurits is op weg naar Duinkerken om hier de beruchte kapers aan te pakken. Bij de havenstad Nieuwpoort wordt hij in de rug belaagd door het oprukkende Spaanse leger onder Albertus van Oostenrijk. Maurits gaat de slag aan op het strand en behaalt een klinkende overwinning.


18 juli - 20 september 1602: beleg van Grave

Beleg van Grave. Prent. NIMH.In 1601 beginnen de Spanjaarden met het beleg van Oostende, het laatste Staatse steunpunt in Vlaanderen. Om hen hiervan weg te trekken zet Maurits een veldtocht door de zuidelijke Nederlanden op touw, maar de Spanjaarden ontwijken de slag. Maurits wijzigt zijn koers en slaat met 20.000 man het beleg rond Grave. Het kleine garnizoen rekent op de komst van een ontzettingsleger. Dankzij een ring van veldversterkingen zijn Maurits’ troepen goed beschermd tegen een aanval van buitenaf. Op 20 september geeft het Spaanse garnizoen zich over. Oostende capituleert pas in 1604.


25 april 1607: Zeeslag bij Gibraltar

Een Hollandse vloot onder Jacob van Heemskerck verslaat een Spaanse vloot bij Gibraltar; gravure. Marinemuseum Den Helder.Een Nederlandse oorlogsvloot onder vice-admiraal Jacob van Heemskerck vernietigt een grote Spaanse vloot bij de rots van Gibraltar. Van Heemskerck overleeft de slag echter niet. Het is een gedurfde onderneming. Nog niet eerder heeft een Nederlandse oorlogsvloot zo ver van huis slag geleverd. Bovendien zijn de Spaanse galjoenen veel groter en zwaarder bemand en bewapend dan de spiegelschepen van de Republiek. Het krijgsplan van Van Heemskerck gaat uit van het in die tijd gebruikelijke entergevecht, waarbij de Nederlanders twee aan twee één groter Spaans galjoen aanklampen. Dit levert een klinkende overwinning op, maar weinig buit. Het belang van de slag is dan ook vooral mentaal. De opstandige Nederlanden hebben aangetoond, in hun strijd tegen Spanje, ook ver buiten de eigen kustwateren te kunnen toeslaan. En dat maakt niet alleen op het Iberisch schiereiland, maar ook in de Republiek zelf veel indruk.


9 april 1609 - 9 april 1621: Twaalfjarig Bestand

Gedenkpenning, uitgegeven door de Staten van West-Friesland naar aanleiding van de opbloei van de handel en nijverheid tijdens het Twaalfjarig Bestand. Marinemuseum Den Helder.Na langdurige onderhandelingen sluiten de beide partijen in 1609 een wapenstilstand voor twaalf jaar. Met deze overeenkomst erkent Spanje impliciet de zelfstandigheid van de Republiek. In 1621 wordt de strijd hervat. Deze richt zich hoofdzakelijk op de verovering van de vestingen in het oosten en het zuiden.


2 oktober 1622: Bergen op Zoom ontzet

Plattegrond van de vesting Bergen op Zoom. NIMHDe Spaanse veldheer Spinola belegert de vesting Bergen op Zoom. De stad ‘houdt zich vroom’ (dapper) en wordt door Maurits (zie 31 januari 1587) ontzet.


8 september 1628: verovering van de Zilvervloot door Piet Heyn

De verovering van een Spaanse zilvervloot door een Hollandse vloot onder bevel van Piet Heyn in de baai van Matanzas. Litho. Marinemuseum Den Helder.Piet Heyn ligt ’s nachts met twintig schepen en elf jachten van de West-Indische Compagnie bij Cuba in opwachting, als een Spaanse zilvervloot van achttien schepen afkomstig uit Mexico dwars door de Nederlandse vloot heen zeilt. De Nederlanders weten direct negen schepen in te nemen, maar de zes belangrijkste ontsnappen. De vloot van Piet Heyn zet de achtervolging in en probeert de Spanjaarden de pas af te snijden. De Spaanse schepen zijn zo zwaar beladen dat zij zichzelf nauwelijks kunnen verdedigen. De Spanjaarden hebben geen andere keus dan uit te wijken naar de baai van Matanzas, waar zij alle aan de grond lopen en nu volkomen weerloos zijn. Tijdens een chaotische poging tot ontruiming gaat ook de Spaanse admiraal aan wal en het kost Piet Heyn en de zijnen niet meer dan enkele salvo’s met geschut en musketten om de achtergeblevenen te overmeesteren. Er worden een hoeveelheid zilver ter waarde van 7,8 miljoen gulden en een hoeveelheid andere koloniale waren (parels, goud, verfstof, zijde, huiden, amber etc.), ter waarde van 3,7 miljoen gulden buit gemaakt. In de Republiek wordt de inname van de Zilvervloot bij Cuba uitbundig gevierd, omdat de Spaanse vijand zo'n gevoelige slag is toegebracht.


1 mei - 14 september 1629: beleg van ’s-Hertogenbosch

Het beleg van ’s-Hertogenbosch. Prent. NIMH.’s-Hertogenbosch is een belangrijke vesting. Zij beheerst een deel van Brabant en is een potentiële uitvalsbasis voor een Spaanse aanval naar het hart van de Republiek. Frederik Hendrik sluit de vesting met 28.000 man in en brengt 116 kanonnen in stelling. Ingenieur Leeghwater maakt met behulp van molens het moerassige gebied rond de stad beter begaanbaar. De Spanjaarden sturen een ontzettingsleger, maar dit kan weinig uitrichten. Daarna doen ze met steun van Duitse troepen een poging om vanaf de IJssel door te stoten naar het gewest Holland. Die mislukt als een Staats contingent door de verovering van Wezel hun aanvoerlijnen afsnijdt. Frederik Hendrik zet ondertussen het beleg voort. Uiteindelijk krijgt hij de vesting op 20 september in handen. Dit succes levert hem de eretitel Stedendwinger op.


10 juni - 21 augustus 1632: beleg van Maastricht

‘ De mareschalken de Chantillon en de Brezé begroeten den prins van Oranje als veltheer des Fransen heirs’. Prent. NIMH.In 1632 onderneemt Frederik Hendrik een veldtocht langs de Maas. Deze rivier vormt voor de tegenstander een belangrijke opmarsroute naar de Republiek. Het einddoel van de veldtocht is Maastricht. Ondanks de nadering van twee vijandelijke legers weet Frederik Hendrik de vesting in betrekkelijk korte tijd in te nemen. Door het bezit van Maastricht controleert de Republiek een van de voornaamste toegangen tot haar grondgebied. De gewenste volksopstand blijft echter uit.


21 augustus 1634: Curaçao veroverd

Verovering van Curaçao . Reproductie van prent. NIMH.In 1634 besluit de West-Indische Compagnie ‘tot bemachtiginge van het eylandt Curaçao om te hebben een bequame plaetse, daer men sout, hout ende anders mocht becomen, ende van deselve plaetse den viant in West-Indiën te infestere’. Met tweehonderd man verovert Johannes van Walbeeck het eiland in drie weken, waarin de kleine Spaanse bezettingsmacht van 32 man onder bevel van Lope Lopez de Morla wordt afgemat in achtervolgingen en kleine schermutselingen. Op 21 augustus geven de Spanjaarden zich over. Vijf dagen later worden zij samen met een groot gedeelte van de Indiaanse bevolking overgebracht naar de Venezolaanse kust en daar vrijgelaten. Van Walbeeck wil niet te veel Indianen op Curaçao, daar hij ze ‘gansch paeps ende niet te vertrouwen’ vindt. Ongeveer twintig Indiaanse gezinnen blijven achter in dienst van de Nederlanders.


21 oktober 1639: Zeeslag bij Duins

Het verslaan van de Spaanse vloot op de rede van Duins. Lithografie uit: P.J. Schotel, Heldendaden der Nederlanders ter zee (1850). Marinemuseum Den Helder.De Nederlandse vloot onder Maerten Tromp (zie 10 augustus 1653- 1648-1713) verslaat de 'vierde' armada onder de Spaanse admiraal Don Miguel d'Oquendo. Deze ontzagwekkende Spaans-Portugese vloot van 67 schepen met 1.700 kanonnen en 24.000 man is door Tromp met slechts dertig schepen op 15-18 september de rede van Duins opgejaagd en ingesloten tot zijn eigen vloot is aangegroeid tot 95 schepen en elf branders. Op 21 oktober draait de wind naar het westen en zet Tromp de aanval in. In de bekrompen ruimte van de rede ontstaat verwarring bij de Spaanse schepen, waarvan er al snel 22 aan de grond lopen. Zeventien daarvan worden door Nederlandse branders vernietigd, waaronder de Santa Teresa, het vlaggenschip van de Portugese admiraal. In totaal worden meer dan veertig Spaanse schepen in de grond geschoten, verbrand of aan de grond gejaagd, en veertien als prijs naar de Republiek opgebracht. De Spaanse verliezen bedragen zevenduizend man, waarvan 1.800 krijgsgevangenen, terwijl aan Nederlandse zijde slechts één schip verloren gaat en nauwelijks honderd doden vallen. Slechts achttien Spaanse oorlogsbodems bereiken de haven van Duinkerken. In Spanje dringt eindelijk het besef door dat de Nederlanden niet door armada’s te heroveren zijn.


30 januari 1648: Vrede van Munster

Het sluiten van de vrede van Munster. Reproductie van prent. NIMH.In 1648 komt na jarenlange besprekingen de Vrede van Munster tot stand. Deze maakt een eind aan de Tachtigjarige Oorlog. De Republiek der Verenigde Nederlanden wordt alom erkend als een soevereine en zelfstandige staat.