
1814-1914: de kroon op de krijgsmacht
Na de Franse tijd werd de nationale onafhankelijkheid van ons land hersteld. Nederland werd vooral op aandringen van Groot-Brittannië, dat een sterke bufferstaat aan de noordgrens van Frankrijk wilde creëren, samengevoegd met de zuidelijke Nederlanden. Zo ontstond het Verenigd Koninkrijk onder koning Willem I. De noordelijke en zuidelijke provincies waren echter in de eeuwen ervoor al zo uiteengegroeid, bijvoorbeeld in economisch en religieus opzicht, dat een samengaan eigenlijk vanaf het begin tot mislukken was gedoemd. In 1830 kwamen de zuidelijke provincies in opstand en riepen de staat België uit.
Nadat de Belgische kwestie in 1839 definitief was opgelost, kon Nederland zich richten op de aanpak van de binnenlandse problemen. Er was sprake van stagnatie in de economische en sociale ontwikkeling. De industrialisering, die elders in Europa een hoge vlucht nam, kwam in Nederland maar moeizaam op gang. Het politieke bestel ontwikkelde zich na 1848 langzaam in de richting van een parlementaire democratie en een constitutionele monarchie. Pas na 1870 raakte de maatschappelijke ontwikkeling in een stroomversnelling. Achtergebleven bevolkingsgroepen emancipeerden zich door de vorming van politieke partijen en vakbonden, de totstandkoming van sociale wetgeving en het ontstaan van de verzuiling.
Voor het leger was de negentiende eeuw geen glorieperiode. Aanvankelijk speelde het nieuwe, nationale leger een hoofdrol. Het kwam in actie bij Quatre Bras en Waterloo tegen Napoleon en voerde een veldtocht tegen de opstandige Belgen. Na afloop van de strijd met België werden forse bezuinigingen doorgevoerd. De landmacht, een mengvorm van een beroeps- en dienstplichtigenleger, werd gereduceerd tot een magere 20.000 man in 1850. Op de bewapening, het materieel en de uitrusting en verzorging van de militairen werd flink bezuinigd. De kwaliteit van het personeel liet veel te wensen over.
Nieuw in de negentiende eeuw is de oprichting van de Koninklijke Marechaussee, een centraal aangestuurd bereden politiekorps met een militaire status, waarvan het personeel werd gelegerd in kazernes. De samenstelling en het takenpakket van de Marechaussee zijn in de loop van de 19e en 20e eeuw een aantal malen veranderd.
De opkomst van Pruisen en de Duitse eenwording in de jaren 1860 en vooral de Frans-Duitse oorlog van 1870 vormden de aanleiding tot een hernieuwde politieke en maatschappelijke aandacht voor het leger. In de laatste decennia van de negentiende eeuw vonden tal van hervormingen en vernieuwingen plaats. Het leger schafte moderne handvuurwapens en snelvuurgeschut aan; in 1898 kwam eindelijk de persoonlijke dienstplicht tot stand; de levensomstandigheden van de militairen in de kazerne verbeterden aanzienlijk. De Marechaussee werd uitgebreid van twee naar vier divisies. De landmacht veranderde compleet van gedaante. Nederland ging de twintigste eeuw in met een uitgebreid en in veel opzichten gemoderniseerd leger.
Bij de marine hadden al eerder ontwikkelingen plaats op het gebied van scheepsbouw en bewapening. Na het verdwijnen van het linieschip in het midden van de 19e eeuw wisselde een veelheid van scheepstypen elkaar af. Door de uitvinding van de scheepsschroef eind jaren ’30 nam de toepassing van stoomvoortstuwing een hoge vlucht. Hout werd vervangen door ijzer; zeilen door stoom. Nieuwe ontwikkelingen op artilleriegebied, waardoor bereik, kaliber en trefzekerheid aanzienlijk verbeterden, maakten pantsering noodzakelijk. Omstreeks 1900 werden torpedo’s en mijnen een geducht aanvals- en verdedigingswapen.
Veel waletablissementen, stammend uit de tijd van de Republiek, werden aanvankelijk gehandhaafd. Wel kwam een hiërarchische taakverdeling tussen de nieuwe directies tot stand. Willemsoord (Den Helder) ontwikkelde zich langzaam maar zeker tot de voornaamste thuishaven van de operationele vloot. Na de Tweede Wereldoorlog werd Den Helder definitief de nationale marinebasis.
Het personeelsbestand liep van gemiddeld 5.000 man op naar ruim 10.000 omstreeks 1900. Arbeidsomstandigheden verbeterden. De oprichting van een aparte officiersopleiding baande de weg voor een professioneel officierskorps. Door introductie van nieuwe scheepstypen veranderde de samenstelling van het personeelsbestand. Eerst kwamen de machinisten aan boord, in het laatste kwart van de negentiende eeuw de torpedomakers en artilleristen. Er ontstonden vaste korpsen naar taakspecialisatie (bijvoorbeeld Stoomvaartdienst).
7 december 1813: Joan C. van der Hoop benoemd tot commissaris-generaal voor de Marine
Deze gewezen advocaat-fiscaal van de Amsterdamse Admiraliteit wordt commissaris-generaal, later minister van Marine, met als standplaats Den Haag. Nu aan de Franse overheersing en annexatie een einde is gekomen krijgt hij een belangrijke taak. Hij dient de Nederlandse marine als een zelfstandige organisatie vorm te geven.
9 januari 1814: oprichting van het leger
Op deze dag wordt de organisatie vastgesteld van de zogenaamde ‘Staande Armee’. Deze bestaat uit vrijwillig dienende beroepsmilitairen. Daarnaast is er een ‘Nationale Militie’, die is samengesteld uit dienstplichtigen die door middel van loting worden aangewezen. Koning Willem I heeft besloten de gehate uitvinding van de Fransen, de dienstplicht (zie jaar 1811 - 1795-1814), over te nemen. Hij moet wel, want er melden zich te weinig vrijwilligers om de Staande Armee te vullen. Overigens kan een ingelote militair zich tegen betaling laten vervangen door iemand anders, een zogenaamde remplaçant. Het remplaçantenstelsel zorgt ervoor dat de militie wordt gerecruteerd uit de onderste lagen van de bevolking; de meer gegoeden kunnen immers betalen voor hun vervanging en zo de dienst ontlopen. De sterkte van het leger wordt vastgesteld op 27.000 man.
27 februari 1814: oprichting van de ‘voorlopige marechaussee’ in de Zuidelijke Nederlanden
Na het vertrek van de troepen van Napoleon uit Nederland valt de teruggekeerde Prins van Oranje terug op de inrichting van de politie ten tijde van de Bataafse Republiek (1795-1806) en het Koninkrijk Holland (1806-1810). In de beide Nederlanden vinden de leden van de gewezen Gendarmerie hun emplooi bij de diverse politiekorpsen. Zowel de politie in de steden als de veldwacht keren terug. In de Zuidelijke Nederlanden wordt ondertussen bij besluit van 27 februari 1814 een korps marechaussee opgericht. Het besluit komt van de hand van het voorlopig bestuur over de Zuidelijke Nederlanden: de bondgenoten Pruisen, Oostenrijk, Rusland en Engeland. De Prins van Oranje krijgt pas op 31 juli 1814 het bestuur over de Zuidelijke Nederlanden, nadat op 26 juni van dat jaar het Protocol van Londen (dat voorziet in de vereniging van de Nederlanden) is getekend. Deze ‘Provisore Marechaussee’ (voorlopige Marechaussee) blijft bij gebrek aan middelen ineffectief. De organisatie en structuur komen niet of nauwelijks van de grond. De voorlopige marechaussee wordt op 26 oktober 1814 ontbonden.
26 oktober 1814: oprichting en formatie van een Korps Marechaussee
Koning Willem I ondertekent het besluit, waarvan het eerste artikel luidt: 'Er zal worden opgericht een Korps Marechaussee, bestemd om de orde te handhaven, de uitvoering der wetten te verzekeren en te waken over de veiligheid der grenzen en grote wegen'. De Marechaussee verricht politiediensten voor de krijgsmacht en is, als rijkspolitiedienst, tevens belast met de politiezorg voor het koninkrijk. De Franse Gendarmerie staat model voor deze nieuwe politieorganisatie: het is een centraal aangestuurd bereden politiekorps met een militaire structuur, waarvan het personeel wordt gelegerd in kazernes. Het gezag en beheer zijn al bij de oprichting gescheiden: het departement van Oorlog is verantwoordelijk voor het beheer terwijl ordehandhaving en de politiedienst van het koninkrijk vallen onder het gezag van het departement van Justitie.
Door zijn nieuwe Korps Marechaussee te laten opereren in de Zuidelijke Nederlanden geeft Willem een krachtig politiek signaal af. Zowel buitenlandse mogendheden, Frankrijk en Pruisen, als mogelijke binnenlandse tegenstanders, moeten beseffen dat dit militaire korps garant staat voor de eenheid van de Nederlandse staat. Bovendien bevordert het instellen van de Marechaussee de centralisatie en rationalisatie van het overheidsbestuur. Aanvankelijk treft men de Marechaussee uitsluitend aan in de Belgische provincies en in het zuiden van Limburg maar in de loop der jaren breidt zij uit naar Noord-Brabant en Zeeland.
16 juni 1815: het gevecht bij Quatre Bras
Napoleon ontsnapt van zijn ballingsoord Elba en keert zegevierend in Parijs terug. In juni 1815 trekt hij met een 130.000 man sterk leger de Frans-Nederlandse grens over in de richting van Brussel. Een Engels/Pruisisch/Nederlands leger onder bevel van de hertog van Wellington trekt zich samen om de hernieuwde Franse agressie het hoofd te bieden. Franse eenheden onder maarschalk M. Ney stuiten op Nederlandse troepen die onder bevel van de generaals H.G. de Perponcher en J.V. de Constant Rebecque naar het strategisch gelegen kruispunt van wegen bij Quatre Bras zijn opgerukt, veertig kilometer ten zuiden van Brussel. Beide generaals hebben een bevel van de hertog van Wellington om terug te trekken in de wind geslagen. Tijdens een fel gevecht slagen Nederlandse troepen er in de Franse opmars tegen te houden. Het is een groot succes voor de militairen van het nog jonge en onervaren Nederlandse leger.
18 juni 1815: de Slag bij Waterloo
Bij Waterloo, vlak ten zuiden van Brussel, vindt de voor de toekomst van Europa beslissende slag plaats tussen Napoleon (72.000 man) en de geallieerden (68.000 man). De slag duurt van halftwaalf in de ochtend tot halfacht ’s avonds. Onder het opperbevel van de Prins van Oranje, die tijdens de strijd aan zijn schouder wordt verwond, worden drie divisies infanterie ingezet, elk van twee brigades, alsmede twee brigades cavalerie en 36 vuurmonden van de artillerie. In totaal telt de Nederlandse bijdrage 18.500 man, waarvan bijna 3.000 sneuvelen, gewond of vermist raken. Dramatisch is de vernietiging van brigade Van Bijlandt, die door Wellington op een uiterst ongunstige positie is geplaatst en door de Franse artillerie al in de eerste fase van de slag is uitgeschakeld. Beslissend is de aanval met de bajonet die de divisie-Chassé aan de westkant van het slagveld aan het eind van de dag inzet tegen de Keizerlijke Garde. De garde wordt teruggedreven en dat betekent voor Napoleon het begin van het einde. De Franse troepen zijn verslagen en slaan op de vlucht. Drie dagen later treedt Napoleon af; hij wordt naar St. Helena verbannen.
30 april 1815: instelling van de Militaire Willemsorde
Koning Willem I stelt de Militaire Willemsorde (MWO) in. Deze wordt toegekend aan militairen die zich in de strijd hebben onderscheiden door daden van ’moed, beleid en trouw’. De onderscheiding, een wit geëmailleerd kruis met acht gouden, geparelde punten, voorzien van een Bourgondisch kruis van laurierstokken en gedekt door een kroon, wordt toegekend in vier ‘klassen’. De eerste MWO wordt toegekend aan de Prins van Oranje, de latere koning Willem II, voor zijn verrichtingen bij Quatre Bras en Waterloo. In totaal krijgen maar liefst 1.004 militairen de MWO voor hun deelname aan deze beide veldslagen. Later wordt de koning iets zuiniger met de toekenning van deze onderscheiding.
27 augustus 1816: bombardement van Algiers door een Brits-Nederlandse vloot
In 1815 is het schout-bij-nacht J. Tulleken niet gelukt vrede te sluiten met de dey van Algiers. Lord Exmouth weet voor Groot-Brittannië wel een verdrag met Algiers tot stand te brengen, dat echter prompt daarop weer geschonden wordt. Het Nederlands eskader in de Middellandse Zee (vijf fregatten en een korvet), nu onder bevel van vice-admiraal Theodorus F. van Capellen, treft de vloot van Exmouth (zes linieschepen, vier fregatten, vijf korvetten en vier bombardeerschepen) bij Gibraltar en gezamenlijk ondernemen zij een aanval op de stad Algiers. Gedurende zeven uur bombarderen de schepen de stad, waarbij 51.000 projectielen en ongeveer vijfhonderd ton buskruit worden verschoten. Van de 37 Algerijnse kanonneerboten en roeigaleien die naar buiten komen, worden er 33 vernield. Aan Britse zijde vallen 128 doden en 690 gewonden, aan boord van de Nederlandse schepen 13 doden en 52 gewonden. De dey van Algiers gaat de volgende dag met alle door de geallieerden gestelde vredesvoorwaarden akkoord. Van Capellen ontvangt voor het geslaagde bombardement van Algiers het grootkruis van de Militaire Willemsorde en Lord Exmouth wordt benoemd tot commandeur in diezelfde orde. De Algerijnse kapers blijven echter ondanks het bombardement actief. Er komt pas een definitief einde aan de zeeroof na de verovering van Algiers door Frankrijk in 1830.
2 december 1817: reorganisatie van het Bataljon Mariniers
Het bataljon, 2410 man waarvan 94 officieren, wordt uitgebreid tot een korps van vier divisies en één depot, vier compagnieën per divisie. De reorganisatie brengt ook een naamsverandering met zich mee. Het bataljon wordt omgedoopt in Korps Mariniers (zie 10 december 1665 - 1648-1713). Deze naam blijft sindsdien ongewijzigd.
1820: Departement van Oorlog verhuist naar het Plein
Het departement van Oorlog in ’s-Gravenhage krijgt een nieuwe gebouw aan het Plein. Het departement is opgericht op 29 november 1813 en zetelde tot zijn verhuizing in een gebouw op de hoek van de Kneuterdijk en Lange Vijverberg. Aan het Plein krijgt het een groot gebouw tot zijn beschikking dat speciaal is verbouwd voor de komst van de ambtenaren. De bewindsman op het departement is generaal-majoor A.C.J.G. graaf d’Aubremé; hij draagt de titel ‘commissaris-generaal van Oorlog’. Pas in 1843 gaat men spreken van ‘minister van Oorlog’. Het ministerie zit nog altijd in het gebouw dat men in 1820 heeft betrokken en dat tegenwoordig als adres heeft: Plein 4.
24 oktober 1826: Aankoop Curaçao, het eerste stoomschip van de Koninklijke Marine
Zr.Ms. stoompakketschip van oorlog Curaçao (ex-Calpe) wordt aangekocht in Groot-Brittanië. Het is het eerste stoomschip ter wereld dat grotendeels op stoomkracht de Atlantische Oceaan oversteekt. Die gedenkwaardige overtocht gaat op 26 april 1827 van start vanaf de rede van Hellevoetsluis.
24 november 1828: opening van de Koninklijke Militaire Academie
De Koninklijke Militaire Academie in Breda begint met de officiersopleiding voor het leger. Het oude stadskasteel van Hendrik van Nassau is verbouwd om de academie onderdak te bieden. De eerste cursus wordt geopend door prins Frederik, die zich in de voorafgaande jaren zeer heeft ingespannen voor de oprichting en organisatie van de academie. De officiële oprichting heeft al plaats gevonden op 29 mei 1826, maar het in gereedheid brengen van het gebouw en de verdere voorbereidingen hebben veel tijd gekost.
Studeren in uniform. 175 jaar Koninklijke Militaire Academie
28 augustus 1829: het Koninklijk Instituut voor de Marine te Medemblik officieel geopend
De lessen op dit opleidingsinstituut voor adelborsten zijn al bijna drie maanden eerder op 1 juni aangevangen. De oprichting van het KIM te Medemblik betekent een rigoureuze breuk met het verleden. Voorheen werden aspirant-marineofficieren hoofdzakelijk aan boord van operationele oorlogsschepen in de praktijk geschoold. Via een opleiding aan de Kweekschool van de Zeevaart te Amsterdam marineofficier worden, is nu niet meer mogelijk.
G.M.W. Acda e.a.: Het Instituut. Honderdzeventig jaar opleiding tot marineofficier 1829-1999
23 september 1830: opstand in Brussel
Prins Frederik trekt op naar Brussel om de opstand die daar is uitgebroken neer te slaan. Al sinds 25 augustus is het onrustig in de stad. De Brusselaars zijn in verzet gekomen tegen het Nederlandse bestuur. Frederiks leger telt 8.000 man infanterie, 1.750 cavaleristen en 26 kanonnen. De bevolking biedt fel verzet en Frederik besluit op 26 september na drie dagen van straatgevechten zich uit Brussel terug te trekken. De Belgen vormen hierna een Voorlopig Bewind, dat een Nationaal Congres bijeenroept. Dit congres proclameert de Belgische onafhankelijkheid op 18 november 1830.
5 februari 1831: Jan van Speyk laat zich met zijn schip de lucht in vliegen
Na het uitbreken van onlusten eind augustus 1830 in de Zuidelijke Nederlanden (zie 23 september 1830) gericht tegen de ‘Noord-Nederlandse overheersing', blijkt al snel dat de opstandige ‘Belgen’ vastbesloten zijn zich desnoods gewapenderhand te verzetten tegen de Nederlanders die de orde willen herstellen. Dat leidt in september tot een toename van het aantal Nederlandse oorlogsschepen op de Schelde, met name bij Antwerpen. Op 20 oktober verklaart generaal David H. Chassé de stad Antwerpen in staat van beleg. Eind oktober wordt de stad door de Nederlandse oorlogsbodems beschoten, waarop een wapenstilstand volgt. Het aantal schepen voor Antwerpen wordt eind 1830 zelfs verminderd. Vanwege drijfijs dat eind januari 1831 de nog aanwezige kanonneerboten op de Schelde bedreigt, zijn deze schepen tijdelijk verplaatst maar moeten begin februari hun posities weer innemen. Kanonneerboot No 2 wordt door sterke wind van haar ankerplaats geslagen en drijft af naar de wal, waar ze door tientallen opstandige Belgen wordt opgewacht. Dat doet Van Speyk besluiten de lont in het kruitvat te steken en zich samen met zijn schip, bemanning en geëmbarkeerde opstandige Belgen de lucht in te laten vliegen. Zijn zelfopoffering leidt in de Noordelijke provincies tot een ongekende heldenverering. Koning Willem I bepaalt nog geen week later bij KB dat er voortaan altijd een vaartuig van de Koninklijke Marine de naam Van Speyk zal dragen. Op initiatief van het College Zeemanshoop wordt door particulieren geld ingezameld voor een nationaal gedenkteken in de vorm van een vuurtoren bij Egmond aan Zee.
2 augustus 1831: begin van de Tiendaagse Veldtocht
Nederland gaat niet akkoord met de Belgische onafhankelijkheid (zie 23 september 1830) en verwerpt de afspraken die er inmiddels na internationale bemiddeling over zijn gemaakt. Met een leger van 36.000 man trekt de Prins van Oranje België binnen. Op 8 augustus verrassen de Nederlandse troepen het Belgische Maasleger bij Hasselt. Een artilleriebombardement jaagt het Belgische leger op de vlucht. Na twee dagen strijd veroveren de Nederlandse troepen de stad Leuven op 13 augustus. Nu zich een Belgische nederlaag begint af te tekenen, grijpen de Fransen in. Een leger onder maarschalk Etienne graaf Gérard marcheert op in de richting van Leuven. De Nederlandse troepen trekken zich terug. De Tiendaagse Veldtocht is mislukt. 131 militairen zijn gesneuveld; 590 gewond. Alleen Antwerpen blijft in Nederlandse handen.
24 december 1832: generaal Chassé geeft de citadel van Antwerpen over.
Na een Frans beleg van 25 dagen, waarbij de citadel van Antwerpen aan een zwaar artilleriebombardement blootstaat, geeft Chassé de vesting over. 166 officieren en 4.442 onderofficieren en manschappen gaan in Franse krijgsgevangenschap.
8 januari 1844: brand in het Ministerie van Marine
Een uitslaande brand in het Ministerie van Marine te 's-Gravenhage vernietigt een groot deel van de opgeslagen administratie en daarmee talloze historische documenten van onschatbare waarde. Op het Ministerie aan het Lange Voorhout worden behalve de (semi-)dynamische ook de oude zeventiende- en achttiende-eeuwse marinearchieven bewaard. Het departement bevat tevens een dienstwoning voor de minister. Daar vat een gordijn vlam door de brandende kaars van een onvoorzichtige dienstmeid. Minister van Marine, Julius C. Rijk en zijn gezin blijven ongedeerd, maar verliezen vrijwel al hun bezittingen. Een groot gedeelte van de marinearchieven gaat eveneens in rook op. Wat aan de vuurzee ontkomt, wordt op aandrang van de rijksarchivaris J.C. de Jonge overgebracht naar het Algemeen Rijksarchief (thans Nationaal Archief geheten) in Den Haag.
23 november 1848: instelling van cavaleristen als hulpmarechaussee
Door de Belgische afscheiding is de Koninklijke Marechaussee (zie 26 oktober 1814) gereduceerd tot minder dan 400 man, iets meer dan een kwart van haar laatste sterkte. In het verkleinde Nederland is met name op het platteland nauwelijks politie aanwezig. Aan plannen tot uitbreiding van de marechaussee wordt geen gehoor gegeven. Uitbreiding is duur, en de departementen van Oorlog en Justitie willen niet voor de kosten opdraaien. Naar goed Hollands gebruik wordt er geïmproviseerd. In 1848 begint men cavaleristen te beëdigen om tijdelijk als hulpmarechaussee ingezet te worden. Tot 1857 rukken jaarlijks ruim tweehonderd cavaleristen uit om bijstand te verlenen. Maar tegenvallende kosten en ongenoegen aan militaire kant luiden voorlopig het einde in van deze hulpmarechaussee. Bovendien is de verwachting dat het in 1856 gevormde Korps Rijksveldwacht een goed alternatief zal bieden.
19 februari 1863: opening van het Koninklijk Koloniaal Invalidenhuis Bronbeek
Koning Willem III stelt zijn landgoed Bronbeek bij Velp ter beschikking van veteranen van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (zie 4 december 1830 hierboven). Gepensioneerde en invalide militairen van het KNIL kunnen hier hun oude dag doorbrengen en verzorging vinden. De collectie krijgskundige voorwerpen, schilderijen en boeken, die in de loop der jaren wordt verzameld, vormt de basis voor het huidige Museum Bronbeek.
W. Bevaart: Bronbeek. Tempo doeloe der liefdadigheid
19 juli 1867: aankomst Zr.Ms. Prins Hendrik der Nederlanden
Aankomst van het in Groot-Brittannië gebouwde ramtorenschip Zr.Ms. Prins Hendrik der Nederlanden op de rede van Texel. De Prins Hendrik der Nederlanden is het eerste ijzeren pantserschip bij de Koninklijke Marine. Daarmee wordt een nieuw tijdperk ingeluid. De eerste vier ijzeren pantserschepen worden in het buitenland gebouwd; daarna worden ze gebouwd op de Rijkswerf in Amsterdam. Deze grote schepen zijn bestemd voor Nederlands-Indië, maar komen daar pas in 1876.
1 mei 1868: oprichting van de Hogere Krijgsschool
Aan deze school vindt de opleiding plaats van officieren die hogere functies zullen gaan bekleden in de staf van de landmacht. De opleiding heet aanvankelijk: ‘School tot voorlopige opleiding van stafofficieren' en is gevestigd in Haarlem. De opleiding past in het streven de hogere vorming van officieren op een meer wetenschappelijke basis te grondvesten en een bekwame generale staf te ontwikkelen.
16 juli 1870: mobilisatie
In verband met de dreiging van een oorlog tussen Duitsland en Frankrijk kondigt Nederland de mobilisatie af. Deze legt de slechte toestand bloot waarin het leger verkeert. Modernisering van materieel en bewapening blijkt hard nodig. Drie dagen na de mobilisatieafkondiging breekt de Frans-Duitse oorlog uit. Nederland verklaart zich neutraal. Tot verrassing van velen behaalt Pruisen een gemakkelijke overwinning. Dat geeft aanleiding tot een koersverandering in het denken over de Nederlandse defensie.
24 april 1874: Vestingwet
Minister van Oorlog A.W.Ph. Weitzel concentreert de verdediging van ons land in de westelijke provincies. Dit kerngebied, dat rond 1890 Vesting Holland gaat heten, wordt rondom beveiligd door de zee (de Noordzee en de Zuiderzee) en door sterke linies. De Nieuwe Hollandse Waterlinie beschermt het gebied aan de oostkant. In het zuiden wordt het afgeschermd door twee aparte stellingen, één rond Willemstad en de andere tussen Brielle en Hellevoetsluis. Aan de noordkant ten slotte komt de stelling van Amsterdam te liggen, een ring van forten en inundaties rond de hoofdstad. Met de aanleg van de Nieuwe Hollandse Waterlinie is op advies van luitenant-generaal C.R.Th.baron Krayenhoff al begonnen in 1816. Tussen 1840 en 1860 wordt deze linie uitgebreid en verbeterd. De Vestingwet bepaalt verder dat vestingen en linies die in onbruik zijn geraakt (vooral in de noordelijke, oostelijke en zuidelijke provincies) worden opgeheven. Voor de vestingen komt dit neer op ontmanteling.
8 juli 1874: installatie van de Hydrografische Dienst.
Deze wordt de vijfde afdeling van het Departement van Marine te Den Haag. Als twintig jaar later ook het Indische Hydrografische Bureau definitief van Batavia naar Nederland wordt overgeheveld, is de afdeling Hydrografie te Den Haag het centrale punt voor hydrografisch onderzoek in Nederland en de koloniën. Deze afdeling Hydrografie is de voorloper van de huidige Dienst der Hydrografie. De Nederlandse marine heeft een grote bijdrage geleverd aan het in kaart brengen van de wereldzeeën, met name in Nederlands-Indië.
1874: oprichting van de veldtelegrafie
Bij de Mineurs en Sappeurs (zie 15 mei 1748 - 1713-1795), de voorloper van de huidige genie, wordt een Afdeling Veldtelegrafie ingedeeld. Het begin is eenvoudig: de afdeling beschikt over drie morse-telegraaftoestellen, 25 morse-telegrafisten en enkele transportwagens voor het telegraafmaterieel. De ‘Telegraaftroepen’ vormen het begin van wat in 1949 een zelfstandig wapen zal worden: de Verbindingsdienst.
16 mei 1875: oprichting van de Marine Torpedodienst
Deze dienst vormt bijna een eeuw lang een onmisbaar element in de maritieme oorlogsvoering. Er zijn torpedowapensystemen aan boord van alle operationele eenheden van de Koninklijke Marine. In het begin zijn deze systemen puur mechanisch en onderhoudsintensief. De Torpedodienst kent dan ook een groot personeelsbestand, in 1920 ruim duizend man. Technologische ontwikkelingen leiden tot een toenemende automatisering en introductie van nieuwe, geavanceerde wapensystemen. In de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw worden de taken van de Marine Torpedodienst langzaam overgenomen door de Wapentechnische Dienst en verdwijnen de laatste traditionele torpedo-officieren en torpedomakers.
1882: oprichting van de kustwacht
De kustwacht wordt opgericht naar aanleiding van de scheepsramp met Zr.Ms. monitor Adder. Zij komt pas op 1 oktober 1887 volledig in functie. Voortaan worden alle bewegingen van Nederlandse en vreemde schepen voor de kust waargenomen en gerapporteerd.
4 november 1889: uitbreiding van de Koninklijke Marechaussee met de 3e divisie
De laatste decennia van de negentiende eeuw kenmerken zich door sociale onrust. De in 1856 opgerichte rijksveldwacht is niet in staat om de orde te handhaven. De in 1857 afgeschafte hulpmarechaussee (zie 23 november 1848) wordt weer in het leven geroepen. Met name in de oostelijke en noordelijke provincies moet zij hard optreden. Uiteindelijk wordt de politiezorg versterkt door de uitbreiding van de Marechaussee van twee naar vier divisies: respectievelijk in 1889 met de 3de marechausseedivisie, en in 1894 met de 4de marechausseedivisie.
1890: invoering van de mitrailleur
De vestingartillerie krijgt als eerste de beschikking over de mitrailleur. Gekozen is voor de Engelse Gardner. Hij telt vijf lopen die afwisselend worden geladen en afgevuurd, bediend door middel van een slinger. Dit machinegeweer is dus niet-automatisch. Het is niet het nieuwste type dat op de markt is. Dat is de Amerikaans/Engelse Maxim, die zich automatisch herlaadt en 600 schoten per minuut afvuurt. Het veldleger zal pas in 1908 de mitrailleur in de bewapening opnemen, de Oostenrijks/Duitse Schwarzlose. In 1914, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, beschikt het leger over 200 mitrailleurs.
22 januari 1897: oprichting van de belangenvereniging voor marine-matrozen ‘Eendracht Maakt Macht’
Deze vereniging wordt een maand later herdoopt in `Algemeenen Bond voor Nederlandsche Marine-Matrozen'. Matroos der eerste klasse A.G.A. Verstegen, de grote initiator achter de oprichting van de vereniging, wordt de eerste voorzitter. In 1908 verandert de belangenorganisatie weer van naam en samenstelling. Onder de nieuwe naam, ‘Bond voor Minder Marine Personeel’, kunnen behalve matrozen nu ook mariniers en stokers lid worden. De bond zet zich onder meer in voor een ruimere passagiersregeling, wekelijkse uitbetalingen der verdiende soldij, afschaffing van de baksgewijze inspecties op de zondag en pensionering in geval van afkeuring door tijdens de dienst ontstane lichaamsgebreken.
2 juli 1898: invoering persoonlijke dienstplicht
De Tweede Kamer neemt de wet ter afschaffing van de plaatsvervanging (zie 9 januari 1814) aan. Hiermee wordt de persoonlijke dienstplicht ingevoerd. De katholieken zijn lang tegen deze wetswijziging gekant omdat zij beducht zijn voor de negatieve invloed van het kazerneleven op de zonen van katholieke huize. Toch heeft de onrechtvaardigheid van het remplaçantenstelsel uiteindelijk de doorslag gegeven. In dat stelsel kon een iemand die het kon betalen zijn dienstplicht afkopen en worden vervangen door iemand anders. Bovendien zijn de laatste jaren al veel verbeteringen in het kazernebestaan tot stand gebracht.
24 juli 1901: Landweer-wet aangenomen
De nieuwe wet creëert naast het leger een ‘landweer’. Deze fungeert als reserve voor het leger. De dienstplichtigen worden na een oefentijd van acht en halve maand automatisch ingedeeld bij de landweer. Zij zullen per jaar drie weken voor herhalingsoefening worden opgeroepen. De totale mobiliseerbare sterkte van de landstrijdkrachten komt hiermee op 200.000. Met deze wet komt een einde aan het bestaan van de aloude schutterijen.
1904: invoering van het 7,5 cm veldgeschut
De Duitse firma Krupp levert het nieuwe snelvuurgeschut. De modernisering van de artillerie begint in de jaren zeventig van de negentiende eeuw wanneer de eerste achterladers worden ingevoerd. Vanaf de jaren tachtig beschikt het leger over stalen achterladers die harder zijn dan de tot dan toe gebruikte bronzen kanonnen en het voordeel hebben in massaproductie te kunnen worden vervaardigd.
5 december 1904: oprichting van de Dienst der Draadloze Telegrafie, later Marineverbindingsdienst
Reeds enkele jaren nadat de draadloze telegrafie haar intrede heeft gedaan, wordt zij op de eerste schepen geïnstalleerd. Tevens begint men matrozen en officieren op te leiden die in dit vakgebied gespecialiseerd zijn. Daarnaast blijft het seinen nog lang bestaan. In 1907 wordt zowel voor het seinen als voor de draadloze telegrafie het morsestelsel ingevoerd. In de jaren ’20 doet de kortegolfverbinding zijn intrede tussen Nederland, Indië en schepen op zee en wordt radiotelegrafie geïntroduceerd bij de MLD. De naam van de dienst wordt in 1919 gewijzigd in Marine Radiodienst. In 1938 wordt de naam weer veranderd in Radio- en Verbindingsdienst der Marine. Vanaf de Tweede Wereldoorlog doen telex en telefonie hun intrede. In 1946 komt een splitsing tot stand tussen de gebruikers en de onderhoudsinstantie van de radio: de Marineverbindingsdienst en de Radiodienst.
21 december 1906: indienststelling van de eerste Nederlandse duikboot Hr.Ms. O 1
Tegelijk met de indienststelling van deze duikboot in de `miljoenenhoek' van de Rijkswerf te Willemsoord wordt de Onderzeedienst van de Koninklijke Marine opgericht.
De O 1 is in 1904-1905 door de werf De Schelde te Vlissingen als Luctor et Emergo voor eigen rekening gebouwd naar een ontwerp van de Amerikaanse Holland Boat Co. In december 1905 gaat de boot binnendoor naar Den Helder. De Amerikaanse bemanning, die speciaal is overgekomen voor de proefvaarten, weet de marineleiding niet te overtuigen. Weer terug in Vlissingen neemt luitenant-ter-zee Paul Koster de O 1 onder zijn hoede: met een goed geoefende bemanning vaart hij in juli 1906 buitenom naar Den Helder en ditmaal verlopen de proefvaarten boven verwachting. Het jaar daarop komt de Luctor et Emergo als O 1 in dienst bij de Koninklijke Marine.
1907: oprichting Mijnendienst
In 1907 wordt de eerste in Nederland geproduceerde mijn, de M1907 in gebruik genomen. Daarom wordt dat jaartal gehanteerd als oprichtingsjaar van de Mijnendienst. De Marine is echter al vanaf 1866 bezig met experimenteren met mijnen. Aanvankelijk bestaan er twee soorten mijnen: mijnen die met een elektrische leiding vanaf de wal tot ontploffing worden gebracht en contactmijnen, die bij aanvaring ontstoken worden. In 1906 wordt de stoomkanonneerboot Hr.Ms. Hadda (bouwjaar 1888) ingericht als eerste Nederlandse mijnenlegger. Het jaar daarop stapt de MARINE over op mijnen van de Franse firma Sautter Harlé & Cie., die bij Nederlandse bedrijven worden geproduceerd. Daarmee is de Mijnendienst een feit. De dienst krijgt echter pas in 1937 een eigen chef, terwijl de chef Torpedodienst ook daarna nog het materieel beheert. In de loop der jaren verandert de dienst van een mijnenlegdienst in een mijnenbestrijdingsdienst. Met name na de Tweede Wereldoorlog vormt het ruimen van mijnen een gigantische klus. Een belangrijke technische innovatie is de ontwikkeling van de sonar in de jaren zeventig van de vorige eeuw, die het mogelijk maakt mijnen al voor het schip uit te lokaliseren, waardoor de mijnenjager wordt geboren. In 1982 wordt het vaandel uitgereikt aan de Mijnendienst.
16 april 1909: luitenant-kolonel G.A. van Haeften wordt benoemd tot eerste Inspecteur der Koninklijke Marechaussee
Sinds 1841 is de Inspecteur der Cavalerie belast geweest met het algemeen toezicht over de Marechaussee. Dit verandert op 16 april 1909: de luitenant-kolonel G.A. van Haeften is de eerste Inspecteur der Koninklijke Marechaussee.
1911: eerste militaire vlucht in Nederland
Generaal C.J. Snijders, de drijvende kracht achter de oprichting van de Luchtvaartafdeeling (zie 1 juli 1913), vliegt als waarnemer in een vliegtuig tijdens grote legeroefeningen. De succesvolle inzet van vliegtuigen tijdens deze oefening draagt bij aan de latere oprichting van een eigen vliegdienst door de Koninklijke Landmacht. Voor 1911 wordt ook al gebruik gemaakt van het luchtruim voor militaire doeleinden, dan worden met gas gevulde ballonnen ingezet voor verkenningstaken.
7 maart 1913: nieuwe legerwet creëert de Landstorm
Met het oog op de nieuwe oorlogsdreiging in Europa wenst de minister van Oorlog, H. Colijn, het leger verder te versterken. De Landstorm wordt samengesteld uit vrijwilligers tot 40 jaar en alle ex-leden van de Landweer (zie 1 juli 1901) en van de militie. Hij is bedoeld als reserve in oorlogstijd. In totaal kan Nederland nu in tijd van oorlog beschikken over 123.000 miliciens, 84.000 leden van de Landweer en 160.000 leden van de Landstorm, bij elkaar 367.000 man. Tevens wordt de kustverdediging gereorganiseerd. De vesting Vlissingen wordt geheel gerenoveerd en in staat van verdediging gebracht.
28 maart 1913: de overheid koopt het vliegterrein bij Soesterberg

De historie van de militaire luchtvaart in Nederland begint in Soesterberg. In 1910 richt de automobielfirma Verwey & Lugard een vliegbedrijf op. Begin 1911 wordt daarvoor een vliegterrein op een stuk gepachte hei bij Soesterberg ingericht. Lang duren deze vliegactiviteiten niet, want in 1912 gaat de firma alweer failliet. Op 28 maart 1913 koopt het Ministerie van Oorlog het terrein voor 310.000 gulden. Het terrein bij Soesterberg is bestemd voor de Luchtvaartafdeeling die nog in datzelfde jaar wordt opgericht.
De activiteiten van de Luchtvaartafdeeling (zie 1 juli 1913) in Soesterberg groeien snel. Ook na de Eerste Wereldoorlog blijft Vliegkamp Soesterberg hét centrum van de Nederlandse militaire luchtvaart. Tot 1939 zijn alle vliegopleidingen in Soesterberg geconcentreerd. Ook het Luchtvaartbedrijf, dat een belangrijke rol speelde bij de materieelvoorziening en het onderhoud, is er gevestigd. Halverwege de jaren dertig komen militaire deskundigen tot het besef dat de concentratie van alle activiteiten op Soesterberg risicovol is. Daarom wordt de Luchtvaartafdeeling verspreid over de bestaande vliegvelden Schiphol, Gilze-Rijen, Ypenburg, Haamstede en Souburg en nieuwe vliegvelden bij Bergen en Texel.
In de Tweede Wereldoorlog gebruikt de Duitse bezetter Soesterberg als bommenwerperbasis. De basis is ook het decor van een reeks beruchte executies van verzetsmensen in 1942. Na 1945 wordt van Soesterberg aanvankelijk beperkt gebruik gemaakt. Pas vanaf 1950 krijgt de ‘bakermat’ weer een vliegende functie. Een speciale plaats binnen de geschiedenis van Soesterberg is weggelegd voor het 32nd Tactical Fighter Squadron. Deze Amerikaanse eenheid wordt in 1954 op de vliegbasis gestationeerd en levert tot 1994 een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse luchtverdediging.
Defensie heeft onder invloed van de bezuinigingen de vliegbasis Soesterberg gesloten en het terrein in 2009 afgestoten.
1 juni 1913: oprichting depot Koninklijke Marechaussee te Apeldoorn
Luitenant-kolonel G.A. van Haeften (zie 16 april 1909) , die sinds 1609 Inspecteur der Koninklijke Marechaussee is, neemt het initiatief tot de oprichting van een algemeen opleidingsdepot. De keuze valt niet geheel toevallig op Apeldoorn, omdat Koningin Wilhelmina haar paleis aldaar wil laten bewaken door de marechaussee. Op 1 juni 1913 is de marechausseeopleiding gecentraliseerd in het ‘Depot Koninklijke Marechaussee’.
1 juli 1913: oprichting Luchtvaartafdeeling (later Koninklijke Luchtmacht)
De historie van de Nederlandse militaire luchtvaart begint officieel op 16 april 1913. Dan ondertekent Koningin Wilhelmina het Koninklijk Besluit nummer 29, waarmee de Koninklijke Landmacht toestemming krijgt om met ingang van 1 juli 1913 een Luchtvaartafdeeling (LVA) op te richten. De Luchtvaartafdeeling begint bescheiden. Bij haar oprichting bestaat ze uit commandant kapitein H. Walaardt Sacré, vier vliegers en een gehuurd vliegtuig, de Brik.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog neemt de luchtvaarttechniek een grote vlucht. Als gevolg hiervan worden het personeelsbestand en de luchtvloot van de LVA sterk uitgebreid. Voorts krijgt zij de beschikking over een Technische Dienst, een Fototechnische Dienst, een Meteorologische Dienst en een Radiodienst. De kern van de LVA wordt evenwel gevormd door de Vliegschool. In 1915 begint de LVA met het opleiden van officieren tot vlieger. In 1916 wordt de vliegeropleiding tevens opengesteld voor militairen onder de rang van officier. Ook worden in deze jaren naast Soesterberg (zie 28 maart 1913) vier nieuwe vliegvelden aangelegd in Arnhem, Gilze-Rijen, Vlissingen en Venlo.