Burgerzin en soldatengeest. De relatie tussen volk, leger en vloot 1832-1914Vanzelf is het nooit gegaan, de omgang van de land- en zeestrijdkrachten met het volk, en omgekeerd. In de lange jaren van relatieve vrede tussen de Belgische opstand en de Eerste Wereldoorlog hield het Nederlandse officierskorps zichintensief bezig met de vraag hoe de relatie met het volk kon worden verbeterd. De belangrijkste bron voor de studie van Schoenmaker vormde de grote hoeveelheid publicaties van officieren in onder andere De Militaire Spectator. In 1832 gingen de officieren deelnemen aan de openbare discussie over het onderwerp. De officieren beheersten het debat, maar er deden - zij het beperkt - ook burgers aan mee. Er waren bij de officieren twee kampen. De conservatieven vond dat de verdediging van het land niet aan burgers moest worden toevertrouwd en de meer liberale stroming had het idee dat de desinteresse van de burgers voor de landsverdediging voortkwam uit de introverte houding van het leger. De liberale officieren zagen het als hun belangrijkste taak de burgers ervan te overtuigen dat, als de defensie op nationale leest was geschoeid, Nederland goed verdedigbaar was. Tijdens felle debatten, waarin ook de verhoudingen met de politiek en de dienstplicht aan de orde kwamen, bleken de officieren bepaald geen eensgezind conservatief bolwerk te vormen. Het overkoepelende thema can de discussie was de zoektocht naar het juiste midden tussen de drang tot verburgerlijking van het leger en de noodzaak tot behoud van de militaire eigenheid. |
|