Medio augustus 1940 worden alle Nederlanders in de vrije wereld opgeroepen voor de vervulling van hun dienstplicht bij de Nederlandse strijdkrachten. Hoewel de opkomst tegenvalt melden zich toch verscheidene Nederlanders uit alle delen in de wereld in Groot-Brittannië om deel te nemen aan de strijd tegen Nazi-Duitsland. Een aantal van hen spreekt de voorkeur uit om in vliegende functie aan de oorlog deel te nemen. Ook van de bij de Nederlandse Brigade ingedeelde Nederlanders doen een groot aantal het verzoek om te worden overgeplaatst naar de RAF. Eenzelfde tendens valt te bespeuren bij de zogenaamde Engelandvaarders. Al in 1940, maar in de jaren daarna lukt het steeds meer Nederlanders te ontkomen uit bezet gebied. Deze Engelandvaarders komen na aankomst in Groot-Brittannië bijna allemaal onder de wapenen. Omdat de meerderheid van deze groep vaak zo snel mogelijk actief aan de oorlog wil deelnemen en omdat Engelandvaarders tot op zekere hoogte een vrije wapenkeuze hebben, kiest een groot deel van hen voor een carrière bij de RAF, bij de zeevarende marine of als geheim agent.
Nederlands Contigent
Om in de behoefte te kunnen voorzien stemt het Britse Air Ministry, door tussenkomst van prins Bernhard, in het voorjaar van 1941 in met het opleiden van een groep Nederlanders tot vlieger. Deze eerste groep van ongeveer 25 personen start begin 1941 de opleiding. Nog in hetzelfde jaar volgt een tweede en derde groep. Al deze Nederlanders worden daarvoor ingedeeld bij de Royal Air Force Volunteer Reserve (RAFVR). Na het verlies van Nederlands-Indië gaat ook de Koninklijke Marine ertoe over personeel bij de RAF op te leiden. Om het opleidingstraject meer gestroomlijnd te laten verlopen wordt vanaf het voorjaar van 1942 volgens het Combined Navy/Army Scheme gewerkt. Het Air Ministry verplicht zich daarbij om met ingang van april 1942 per maand tien Nederlanders in opleiding te nemen. De voor de MLD bestemde leerlingen worden na hun vliegtraining ontheven van hun detachering bij de RAFVR, de overigen worden ingedeeld bij RAF-squadrons en vormen het ‘Nederlandse Contigent ML in de RAFVR’. In tegenstelling tot hun marinecollega’s dragen zij het RAF-uniform met RAF-distinctieven. Zij zijn alleen herkenbaar als Nederlander aan het lintje op de mouwen van hun uniform waarop het woord Netherlands is vermeld.
Beeld: NIMH, Collectie Fotoafdrukken Koninklijke Luchtmacht
Groepsfoto van de vliegtuigbemanning van de ‘Patrouille Renaud’. De foto is genomen op het terrein van de Royal Netherlands Military Flying School in Jackson, Mississippi (Verenigde Staten).
Across the pond
De eerste groep Nederlanders die bij de RAF wordt getraind, doorloopt de opleiding nog geheel in Groot-Brittannië. De opleiding van de meeste overige aspirant-vliegers en -waarnemers vindt daarna in Canada plaats in het kader van het British Commonwealth Air Training Plan. Een uitzondering vormen de vliegers en waarnemers die hun opleiding ontvangen op de in 1942 opgerichte Royal Netherlands Military Flying School te Jackson in de Verenigde Staten. Zowel het uit Canada als het uit de Verenigde Staten afkomstige personeel ondergaat na aankomst (of terugkeer) in Groot-Brittannië hier alleen nog de operationele training alvorens men wordt geplaatst bij een RAF-eenheid.
Nederlandse vliegers onder Britse commando
Eind 1941 melden de eerste Nederlandse vliegers zich bij operationele RAF-eenheden. Jachtvliegers worden geplaatst bij verschillende aan de Britse zuidkust gestationeerde Spitfire-squadrons. Vliegers die zijn opgeleid om meermotorige vliegtuigen te gaan besturen vinden hun weg naar Bomber of Coastal Command. Spoedig keren de eersten van hen niet terug van een oorlogsmissie. De bekendste is ongetwijfeld Flight Lieutenant Bob van der Stok die al voor de oorlog tot de gelederen van de ML is toegetreden en in 1941 Groot-Brittannië weet te bereiken. Na een korte conversiecursus wordt hij aan het eind van dat jaar geplaatst bij 41 Squadron en schopt het bij deze eenheid tot flight commander alvorens hij op 12 april 1942 boven Frankrijk wordt neergeschoten. Later tijdens de oorlog weet Van der Stok op sensationele wijze te ontsnappen uit het gevangenkamp Stalag Luft III en weer terug te keren naar Groot-Brittannië.
Beeld: NIMH, Collectie Fotoafdrukken Koninklijke Luchtmacht
Bob van der Stok, te midden van twee andere Nederlandse oorlogsvliegers en Engelandvaarders: Rudi van Daalen Wetters (links) en Jan Bosch (rechts).
Oprichting van een Nederlands Spitfire-squadron
Ondanks de soms forse verliezen – op 20 juni 1942 verliezen bijvoorbeeld drie vliegers van 118 Squadron op een en dezelfde missie het leven – zijn medio 1942 zo veel jachtvliegers operationeel dat langzaam kan worden overgegaan tot de vorming van een ‘all Dutch’ Spitfire-squadron. Daarvoor worden in de zomer de meeste beschikbare vliegers overgeplaatst naar het op het vliegveld van Castletown gestationeerde 167 Squadron. Hoewel de meeste Nederlandse vliegers geen bezwaar hebben om met voornamelijk landgenoten een squadron te vormen, kunnen de meesten het maar moeilijk verkroppen dat ze daarvoor worden overgeplaatst van Zuid-Engeland naar het ‘rustige’ Schotland. In de herfst van 1942 komt daarin verandering als 167 Squadron naar Ludham aan de Britse Oostkust wordt overgeplaatst. De luchtoperaties verplaatsen zich nu naar het Nederlandse kustgebied. De Spitfires van de eenheid worden onder meer ingezet tijdens de beroemde aanval op de elektriciteitscentrales van Amsterdam op 3 mei 1943. Kort daarna, op 12 juni 1943, wordt 167 Squadron overgeplaatst naar Woodvale en tegelijkertijd omgedoopt tot 322 (Dutch) Squadron.
Het 322 Squadron onderschept
Na een periode van opwerking gaat 322 Squadron vanaf het voorjaar van 1944 deel uitmaken van No. 141 Wing. In deze periode wordt de Nederlandse eenheid vooral ingezet ter onderschepping van Duitse fotoverkenners. Na D-Day legt 322 Squadron zich meer en meer toe op het onderscheppen van V-1-vergeldingswapens. Flying Officer Rudi Burgwal geldt als topschutter binnen de Nederlandse gelederen met negentien vernietigde ‘vliegende bommen’. Hij is daarmee een van de ‘best scorende’ Spitfire-vliegers: de overige V-1-aces vliegen bijna allen de veel snellere Hawker Tempest.
Beeld: NIMH, Collectie Fotoafdrukken Koninklijke Landmacht
Een van de meer dan 30.000 afgeschoten V-1's.
Het 322 Squadron in de frontlinie
Behalve voor de bestrijding van V-wapens vliegt 322 Squadron vanaf medio 1944 ook veelvuldig boven bezet Europa, onder meer bij de uitvoering van gewapende patrouilles en bij het escorteren van bommenwerpers. Ook neemt de Nederlandse eenheid deel aan operatie Market Garden, de luchtlandingsoperatie bij Arnhem. Het mislukken van deze operatie heeft tot gevolg dat de geallieerde opmars nagenoeg tot stilstand komt. Voor het hernieuwde offensief na de winter van 1944/1945 wordt ook een beroep op het Nederlandse Spitfire-squadron gedaan. Het wordt daarvoor, net als eerder 320 Squadron, overgeheveld naar de 2nd TAF. Men krijgt daarvoor de beschikking over de Spitfire Mk-XVI die speciaal is uitgerust voor de grondaanvalstaak. Het toestel is onder meer voorzien van een versterkte vleugel en een gyro gun- en bombsight.
Beeld: NIMH, Collectie Fotoafdrukken Koninklijke Luchtmacht
Een van de Spitfires van het 322 (Dutch) Squadron in de sneeuw op het vliegveld van Woensdrecht in januari 1945.
Opereren vanuit bevrijd Zuid-Nederland
Begin januari 1945 wordt 322 Squadron overgeplaatst naar het vliegveld Woensdrecht van waaruit het bombardementen gaat uitvoeren op doelen in Nederland en Noord-Duitsland. De grondaanvalstaak van de jachtbommenwerpers is effectief, maar tevens uiterst risicovol, getuige het verlies van elf gesneuvelde, verongelukte en gevangen genomen vliegers in nauwelijks vier maanden tijd. In maart krijgt 322 Squadron voor het eerst officieel een Nederlandse squadroncommandant, de hiervoor al genoemde Squadron Leader Bob van der Stok. Met hem aan het roer viert de Nederlandse Spitfire-eenheid het einde van de Tweede Wereldoorlog in het Duitse Varrelbusch. In totaal verliest 322 Squadron tussen juni 1943 en mei 1945 zestien Nederlandse en twee Britse jachtvliegers.
Nederlanders in Britse squadrons
Zoals eerder aangegeven wordt een flink aantal Nederlanders in Britse RAF-squadrons ingedeeld. Al in het voorjaar van 1941 maken drie vliegers van de ML-KNIL deel uit van eerst 92, en vervolgens 611 Squadron van RAF Fighter Command. Deze detachering in Groot-Brittannië heeft tot doel gevechtservaring op doen, die vervolgens moet worden verspreid binnen de ML-KNIL. Daarvan is slechts ten dele sprake: alleen Flight Lieutenant Jan Bruinier (die na de oorlog de KLu als generaal-majoor verlaat) overleeft de stage. Zijn beide collega’s komen tijdens een van de oorlogsvluchten om het leven.
Beeld: NIMH, Collectie Nederlanders bij de RAF
Jaap ’t Hart, Nederlandse vlieger in dienst van de RAF, wordt in juni 1944 onderscheiden met het Distinguished Flying Cross.
RAF Bomber Command
Zoals aangegeven groeit vooral vanaf eind 1941 het aantal Nederlanders bij RAF Fighter Command. Zij zijn tot medio 1942 verdeeld over een groot aantal squadrons. Pas met de oprichting van 322 Squadron worden de meeste Nederlanders ingedeeld bij deze eenheid. Ook daarna zijn echter her en der Nederlanders bij Britse squadrons ingedeeld. Zij vliegen daarbij niet alleen op de Spitfire, maar ook op de Bristol Beaufighter, de De Havilland Mosquito, de Hawker Typhoon, de Hawker Tempest en de North American P-51 Mustang.
Behalve jachtvliegtuigen, dienen Nederlanders onder meer ook bij RAF Bomber Command en Coastal Command. Vanaf begin 1942 gaan een aantal vliegers deel uitmaken van Britse squadrons. In totaal maken ongeveer dertig militairen met een Hollands paspoort gedurende de oorlogsjaren deel uit van RAF Bomber Command. Onder hen bevindt zich ook Jaap ’t Hart die twee tours volmaakt en eveneens twee keer wordt gedecoreerd met het Distinguished Flying Cross. ’t Hart overleeft de oorlog. Ruim een derde van zijn collega’s niet.
