Toen in augustus 1914 de legers in Europa mobiliseerden voor wat ‘de Grote Oorlog’ zou gaan heten, mobiliseerden ook de kerken. Zij verleenden de oorlog religieuze rechtvaardiging in hun overtuiging dat God aan hun zijde stond. Een belangrijk instrument voor zowel de kerken als de krijgsmachten waren de geestelijk verzorgers. De kerken hadden hun hoop gevestigd op de geestelijk verzorgers om al die jonge mannen die zich als oorlogsvrijwilliger hadden gemeld te winnen voor het geloof en de kerk. Voor de krijgsmacht was de geestelijk verzorger belangrijk om de militairen te motiveren en de gevechtskracht hoog te houden. Deze lezing gaat in op hun positie op het kruispunt van de verwachtingen van de kerk, de krijgsmacht en de soldaten, en op hun werk onder de vaak moeilijke omstandigheden van de oorlog.
