Suriname en Nederland hebben een gezamenlijke geschiedenis die meer dan vierhonderd jaar teruggaat. In 1618 wordt de eerste Nederlandse handelspost in het gebied dat nu Suriname is, opgericht. In de jaren daarna breiden de Nederlanders hun invloed steeds verder uit. Dit leidt tot honderden jaren van koloniale overheersing. Pas in de twintigste eeuw groeit het gesprek over meer zelfstandigheid. In 2025 is het exact vijftig jaar geleden dat deze belangrijke stap wordt gezet.
Ruilen
De Nederlandse kolonisatie van Suriname begint met één van de beroemdste ruilacties in de vaderlandse geschiedenis. Midden zeventiende eeuw is Nieuw-Amsterdam, het huidige New York, de belangrijkste kolonie in Amerika van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Suriname is in Engelse handen, de Republiek heeft er slechts een paar handelsposten. Tijdens de Tweede Engelse Oorlog (1664-1667) veroveren de Engelsen Nieuw-Amsterdam. De Nederlanders, onder aanvoering van de Zeeuw Abraham Crijnssen, nemen Paramaribo in. Tijdens de vredesonderhandelingen in 1667 besluit men te ruilen: Nieuw-Amsterdam gaat definitief naar de Engelsen, die het New York noemen, en Suriname gaat naar de Republiek. Met uitzondering van een korte periode eind achttiende, begin negentiende eeuw blijft Suriname tot 1975 een Nederlandse kolonie.
Beeld: NIMH, collectie Fotoafdrukken Koninklijke Marine
Schilderij van Joes Wanders, dat de verovering van Fort Willoughby door de Zeeuw Abraham Crijnsen in 1667 moet voorstellen. Op het schip is duidelijk het wapen van Zeeland te zien. Na de verovering wordt het fort omgedoopt tot Fort Zeelandia.
Militaire aanwezigheid
Koloniale overheersing kan niet zonder militaire aanwezigheid. Het aantal gestationeerde militairen in Paramaribo, het garnizoen, vormt een belangrijk deel van de witte koloniale bevolking. Eind zeventiende eeuw telt het garnizoen ruim vierhonderd man. Met het oplaaien van de strijd tegen weggelopen tot slaaf gemaakten neemt het aantal in de eeuw daarna flink toe, soms tot meer dan tweeduizend. Het merendeel, zeker de gewone manschappen, zijn uit heel Europa afkomstig. Vanaf 1908 is het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) belast met de verdediging van Suriname. Deze troepenmacht houdt zich vooral bezig met binnenlandse ordehandhaving, niet zozeer met bescherming tegen een buitenlandse vijand.
Atlantisch Handvest
De aanloop naar onafhankelijkheid begint tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1941 komen de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk met het Atlantisch Handvest. Hierin hebben zij een aantal punten opgenomen hoe de wereldorde er na de oorlog uit moet komen te zien. Eén van die punten luidt dat alle volken onafhankelijk moeten zijn. Hoewel het Handvest eigenlijk vooral voor Europa en Europese volken bedoeld is, is het voor de volken in de koloniën wel duidelijk: zij zien dit als het eerste opstapje richting onafhankelijkheid. Ook in Suriname krijgt dit punt uit het Handvest meteen veel aandacht.
Beeld: NIMH, collectie Fotoafdrukken Koninklijke Marine
Op patrouille ergens in de binnenlanden van Suriname ploeteren mariniers zich begin jaren vijftig een weg door een rivier.
Eerste stappen naar zelfbestuur
Onder druk van de Verenigde Staten, die altijd tegen kolonialisme zijn geweest, moet Nederland al tijdens de oorlog het koloniale systeem veranderen. In 1948 wordt hiermee begonnen tijdens een eerste Ronde Tafelgesprek tussen Nederland en de koloniën in de West. Suriname krijgt nog geen volledige onafhankelijkheid of zelfstandigheid, maar er komt wel een belangrijke verandering. Naast de Nederlandse gouverneur, die tot dan toe alleen het bestuur vormt, komt er een College van Algemeen Belang. Dit is de voorloper van de Surinaamse minsterraad. Ook wordt het algemeen kiesrecht ingevoerd.
Nederlandse vinger in de pap
Een paar jaar later volgt een tweede Ronde Tafel Conferentie. Deze verloopt moeizaam, maar levert uiteindelijk het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden op. Hierin staat dat Suriname en de Nederlandse Antillen veel meer zeggenschap krijgen over hun eigen binnenlandse zaken. Alleen domeinen zoals defensie en buitenlandse betrekkingen blijven onder verantwoordelijkheid van Nederland. De gouverneur van Suriname blijft op papier de opperbevelhebber van de troepen, maar zijn rol wordt kleiner. Alleen de Nederlandse regering mag bijvoorbeeld de staat van oorlog of beleg uitroepen. Hierdoor blijft Nederland militair gezien nog steeds veel invloed houden.
TRIS
Na de onafhankelijkheid van Indonesië wordt het KNIL in 1950 opgeheven. De beroepsmilitairen van het KNIL worden grotendeels vervangen door Nederlandse dienstplichtigen die vrijwillig een jaar in Suriname dienen. De eenheid krijgt een nieuwe naam: Troepenmacht in Suriname (TRIS). Deze valt onder de Koninklijke Landmacht. De TRIS heeft vooral een beschermende taak en moet rust bewaren. De eenheid loopt wacht voor het gouvernementshuis en paradeert op feestdagen door de straten van Paramaribo. Het verleent medische hulp in het binnenland, voert daar veel patrouilles uit en helpt, door stukken bos vrij te maken voor landingsbanen, met het bereikbaar maken van die gebieden. De politie is verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde. Alleen als dat niet lukt kan ervoor gekozen worden om de TRIS hier ook voor in te zetten.
Beeld: NIMH, collectie Fotoafdrukken Koninklijke Landmacht
Surinaamse militairen van de Troepenmacht in Suriname (TRIS) oefenen in 1973 op de schietbaan bij Zanderij. Vanaf begin jaren zeventig worden steeds meer Surinamers in de TRIS opgenomen, als voorbereiding op een eigen krijgsmacht.
Etnische spanningen
Intussen suddert een eventuele onafhankelijkheid voor Suriname onder de oppervlakte verder. Een kwestie waar onder de bevolking verschillend over wordt gedacht. Door de slavenhandel en arbeidsmigratie zijn er door de eeuwen heen veel verschillende bevolkingsgroepen in Suriname ontstaan. Onder de Creolen, afstammelingen van Afrikaanse tot slaaf gemaakten, neemt eind jaren vijftig de waardering voor de eigen cultuur en geschiedenis toe. En daarmee groeit in deze bevolkingsgroep ook de wens naar onafhankelijkheid. Daartegenover staan de Hindostanen, afstammelingen van contractarbeiders uit India. Zij zijn bang dat de Creolen in een onafhankelijk Suriname zullen overheersen. Ze vrezen dat dit misschien kan leiden tot geweld tegen andere groepen, zoals de Hindostanen. Hierdoor ontstaan er grote spanningen in het land. De Nederlandse politiek hoopt dat deze verdeeldheid tussen de bevolkingsgroepen blijft bestaan, zodat er niet over onafhankelijkheid hoeft te worden gesproken.
Bedenkingen
De Nederlandse houding verandert eind jaren zestig. Een sterk antikoloniaal klimaat en een grote migratiestroom uit Suriname zorgt ervoor dat de Nederlandse politiek anders over de kwestie gaat denken. In een paar jaar tijd wordt de hele Tweede Kamer het erover eens dat Suriname onafhankelijk moet worden. Sommige partijen hopen zo de migratiestroom te stoppen, andere partijen vinden dat een koloniaal rijk niet meer van deze tijd is. Het progressieve kabinet van Joop den Uyl maakt het in 1973 één van zijn speerpunten om Suriname nog tijdens de regeerperiode onafhankelijk te maken. Tegelijkertijd groeit ook in Suriname de hang naar onafhankelijkheid, vooral onder jongeren. De Surinaamse premier Henck Arron van de Nationale Partij Kombinatie, die in hetzelfde jaar als Den Uyl aantreedt, gaat mee in het standpunt van zijn Nederlandse collega. In februari 1974 komt Arron met een regeringsverklaring: Suriname moet vóór het einde van 1975 onafhankelijk zijn.
Beeld: NIMH, collectie Digitale Selecties
Militairen van de Troepenmacht in Suriname (TRIS) verlenen begin jaren zeventig medische hulp in de binnenlanden van Suriname. Dit is naast patrouilleren één van de andere hoofdtaken van de TRIS.
Van TRIS naar SKM
Er is dan veel werk aan de winkel. In militair opzicht moet er in de eerste plaats voor gezorgd worden dat Suriname een eigen krijgsmacht krijgt. De TRIS wordt het fundament van de Surinaamse krijgsmacht (SKM). Surinaamse dienstplichtigen worden in de TRIS opgenomen, om zo klaargestoomd te worden voor de toekomst. Een dag voor de soevereiniteitsoverdracht verlaat de TRIS Suriname en keert het terug naar Nederland. De troepenmacht is nu overbodig en wordt opgeheven. Voor de SKM zijn de taken hetzelfde als voorheen van de TRIS, en daar komt nu ook binnenlandse ordehandhaving bij. Het tekort aan (onder)officieren wordt opgelost door Surinaamse beroepsmilitairen in Nederland over te halen naar Suriname te komen. Bij deze groep zit ook sergeant Desi Bouterse, die zich later tot dictator opwerkt. De landen maken ook de afspraak dat Surinaamse militairen tot tien jaar na de onafhankelijkheid in Nederland kunnen worden opgeleid. Hier komt na de executie van vijftien tegenstanders van het militair regime van Bouterse in 1982, bekend als de Decembermoorden, een eind aan.
Beeld: NIMH, collectie Digitale Bruiklenen
De onderofficieren van de examenjaar 1970-1971 aan de Koninklijke Militaire School in Den Bosch gaan na hun slagen op de groepsfoto. Er zitten ook een paar Surinamers in deze klas, waaronder sergeant Desi Bouterse (middelste rij, derde van rechts).
“Geld moeten we hebben!”
In de tussentijd wordt er in Den Haag druk onderhandeld over de soevereiniteitsoverdracht, zodat de streefdatum van eind november 1975 gehaald kan worden. Een belangrijk doel voor Suriname is om zoveel mogelijk geld aan herstelbetalingen binnen te halen. De Surinaamse delegatie speelt in op de schuldgevoelens van Nederland en voert stevige onderhandelingen. Vooral de Surinaamse vicepremier Olton van Genderen is luid en duidelijk: “Plannen? Projecten? Geld moeten we hebben!” Uiteindelijk wordt men het eens over 3,5 miljard gulden, verspreid over vijftien jaar. Op 28 oktober gaat het Nederlandse parlement akkoord. Een Surinaamse delegatie mag wel bij de vergadering aanwezig zijn, maar heeft geen stemrecht. Ongeveer een maand later vindt in Paramaribo de soevereiniteitsoverdracht plaats. Prinses Beatrix en gouverneur Johan Ferrier, die de eerste president wordt, houden tijdens een staatsdiner toespraken. Op 25 november 1975 tekenen premiers Joop den Uyl en Henck Arron de onafhankelijkheidsakte. Suriname is nu officieel onafhankelijk en een groot volksfeest barst los.
Beeld: NIMH, collectie Digitale Selecties
Grote hilariteit als de laatste lichting van de Troepenmacht in Suriname (TRIS) eind november 1975 op Schiphol aankomt.
Migratie
Ondanks de gewonnen zelfstandigheid komt er alsnog een grote migratiestroom op gang. Tienduizenden Surinamers maken de oversteek naar Nederland. Voor 1975 zijn het vooral Hindostanen, bang voor de interne spanningen in het land. Na de onafhankelijkheid, als de Surinaamse economie inzakt en de werkloosheid stijgt, kiezen duizenden Creolen hetzelfde pad.
Nauwe band
Suriname viert dit jaar vijftig jaar onafhankelijkheid. In die tijd is de politieke relatie tussen de voormalige kolonie en het moederland niet altijd even makkelijk geweest. Vooral in de jaren onder Bouterse zijn de verhoudingen ronduit koel. Dit verbetert vanaf de jaren negentig. Door de gezamenlijke geschiedenis en de grote Surinaamse gemeenschap in Nederland zijn de landen voor altijd met elkaar verbonden.