In deze nationaal-militaire maar wel sterk Hollando-centrische geloofsbelijdenis was een opmerkelijke rol weggelegd voor het Rampjaar 1672. Als een krachtige waarschuwing: dit komt ervan als je de landsverdediging verwaarloost. Maar ook als bron van hoop: zie je wel dat een klein maar dapper land zich op eigen terrein tegen een ogenschijnlijk oppermachtige indringer staande kan houden. In 1672 voltrok zich een klassiek Hollywood-scenario: niet waakzaam en daardoor met de rug tegen de muur gedrongen, maar uiteindelijk toch net weerbaar genoeg om het gevaar te keren, met dank aan een heuse held in de persoon van de kersverse stadhouder Willem III, wiens betrokkenheid bij de moord op de gebroeders De Witt we voor het gemak maar buiten het script laten. De les van 1672 was dus: ja we zijn weerbaar – met het water als onze enige betrouwbare bondgenoot. Ja, de Nederlanders zijn dappere strijders – onze voorouders, de Geuzen, lieten het zien, zo ook onze verre neven, de Boeren in Zuid-Afrika – maar vaak zijn door we onze anti-militaire, vredelievende inborst niet waakzaam genoeg. Daar schuilt het grote risico.
Stadhouder Willem III inspecteert in 1672 de Waterlinie. Schoolplaat gemaakt door Jan Hoynck van Papendrecht.
Water als schild
Waakzaam en weerbaar. Toen in september 1939 de Tweede Wereldoorlog in Europa uitbrak en de Nederlandse krijgsmacht werd gemobiliseerd, ging het er andermaal om waakzaam en weerbaar te zijn. Én ook om als zodanig over te komen met als doel de eigen bevolking gerust te stellen en Duitsland af te schrikken. De les van 1672 leek te zijn geleerd. Toen in maart 1940 de commandant van het Veldleger, generaal Van Voorst tot Voorst, een groep buitenlandse journalisten ontving, sprak hij de krijgshaftige woorden “Wie aan de Waterlinie proeft, sterft daaraan.” Een boude uitspraak, ook als daarbij in acht genomen wordt dat een commandant nu eenmaal vertrouwen in zijn eigen middelen en mogelijkheden moet uitstralen. Maar vooral een uitspraak die in een lange traditie stond van een sterk, bijna mythisch geloof in de defensieve kracht van het water.

In december 1939 siert deze iconische foto de voorpagina van ‘De Wacht, Weekblad voor de gemobiliseerde Weermacht en het Nederlandsche volk’. De inundaties zijn gesteld en de militairen zijn op hun post: Nederland is voorbereid. 
Nederlandse officieren begeven zich in Duitse krijgsgevangenschap. Op de voorgrond commandant-Veldleger, luitenant-generaal J.J.G. baron Van Voorst tot Voorst.
Meidagen als nationale waarschuwing
Het is niet duidelijk of Van Voorst tot Voorst na het échec van Mei 1940 nog wel eens aan deze uitspraak is herinnerd. Tijdens zijn vijfjarige krijgsgevangenschap had hij in ieder geval voldoende tijd om erover na te denken. Zoals zovelen trachtte hij de nederlaag, en vooral de snelheid waarmee die zich had voltrokken, te verklaren. Waren we dan toch niet weerbaar en waakzaam genoeg geweest? De conclusie moest wel luiden dat het daaraan inderdaad had geschort. Niemand sprak sindsdien meer over 1672. Mei 1940 ging nu dienst doen als het nationaal-historische waarschuwingsbord, met als achterliggend narratief dat Nederland onvoldoende voorbereid was geweest. Dat het als samenleving te verdeeld, te verzuild en daardoor te zwak was geweest. En dat het te weinig bereid was geweest de krijgsmacht daadwerkelijk te steunen. Dat het kortom onvoldoende weerbaar was geweest, maar ook te weinig waakzaam, getuige het feit dat het Nederlandse leger zich, ondanks alle waarschuwingen, in de vroege ochtend van 10 mei toch had laten verrassen, onder andere bij de Moerdijkbruggen en bij de bruggen over de Oude Maas bij Dordrecht.
Lessen uit Mei '40
Na de oorlog zijn er de nodige initiatieven genomen om lessen uit de nederlaag van Mei 1940 te trekken, waarbij die nederlaag dan niet zozeer als een zuiver militair falen maar veel breder, als een nationaal falen werd geduid. Een van de lessen was dan ook de oprichting van de Stichting Volk en Verdediging, de latere Stichting Maatschappij en Krijgsmacht, die ervoor moest zorgen dat de band tussen militair en burger een stuk hechter zou worden dan die vóór de oorlog klaarblijkelijk was geweest. Wat het effect van deze en andere maatregelen is geweest, is lastig vast te stellen, maar de conclusie lijkt wel gerechtvaardigd dat het in de periode van de Koude Oorlog met onze weerbaarheid en waakzaamheid niet slecht was gesteld. Nederland beschikte in die jaren immers over een grote en parate krijgsmacht. Bijna veertig jaar, tot aan de val van de Berlijnse Muur, stond deze als het ware permanent in de startblokken om een mogelijke aanval van het Warschaupact af te slaan.
Een brochure van de Stichting Maatschappij en krijgsmacht.
Afhankelijkheid als keerzijde van veiligheid
Dit beeld van een continu alerte krijgsmacht en dito samenleving moeten wel in zijn juiste context gezien worden. Nederland had zich aan het begin van de Koude Oorlog bij de NAVO aangesloten, daarmee impliciet toegevend dat een op nationale leest geschoeide defensie-inspanning zinloos was geworden. Het voorbeeld van 1672 had al zijn zeggingskracht verloren. Opmerkelijk aan de keuze voor de NAVO was niet zozeer dat Nederland daarmee definitief brak met zijn neutraliteitsverleden, in het besef dat alleen een bondgenootschap een klein land voldoende bescherming kon bieden. Maar opmerkelijk was wel dat Nederland zich voor zijn veiligheid volledig afhankelijk maakte van de Verenigde Staten. De essentie van de NAVO was dat de Verenigde Staten beloofden garant te zullen staan voor de veiligheid van Nederland en de andere Europese lidstaten; een veiligheidsgarantie die vooral nucleair van aard was. De Europeanen konden schuilen onder de Amerikaanse atoomparaplu, zoals men zo treffend zei. Daarmee was de NAVO van aanvang af een onevenwichtige alliantie, met zeer ongelijke interne machtsverhoudingen. Maar goed, Nederland wist zich veilig en beschermd. En tot aan de komst van Trump werd die afhankelijkheid niet als een groot probleem gezien. Maar nu dus wel. ‘Dat komt er nu van als je zelf niet waakzaam en weerbaar bent’: we horen het De Bas bijna zeggen. Overigens een verwijt dat vooral Europa als geheel gemaakt moet worden, want een terugvallen op een zuiver nationale defensie – waterlinie of geen waterline – is geen optie meer. Dat zal ook De Bas hebben beseft.
Bijdrage versterkt afschrikking
Laten we nog even teruggaan naar de Koude Oorlog. De Amerikaanse suprematie betekende niet dat de Nederlandse krijgsmacht toen als het ware voor spek en bonen meedeed. Zij leverde een bijdrage aan de conventionele slagkracht van de NAVO en daarmee aan de afschrikking van de potentiële tegenstander aan de andere zijde van het IJzeren Gordijn, en vooral ook aan de geloofwaardigheid van die afschrikking. Of daarmee de samenleving in die tijd ook echt weerbaar was, valt te betwijfelen. Aanvankelijk zijn er nog wel pogingen gedaan om de bevolking weerbaar te maken. Een voorbeeld hiervan zijn de activiteiten van de Bescherming Bevolking (de BB).
In september 1961 valt bij 3.5 miljoen huishoudens de informatiebrochure “Wenken voor de bescherming van Uw gezin en Uzelf’ op de deurmat.