Er wordt nog volop gevochten in de regio wanneer op 18 september 1944 een Typhoon-jachtbommenwerper laag over de startbaan van de voormalige Fliegerhorst Eindhoven scheert. De vlieger constateert dat het rustig is op het vliegveld. De Duitsers hebben het hazenpad gekozen. Ook blijven de zo gevreesde Flak-wolkjes van de vijandelijke luchtdoelartillerie uit. Hij waagt het er op. Hij draait nog een rondje en zet dan de landing in. Ongeveer halverwege de startbaan komt zijn toestel tot stilstand. De vlieger besluit met een stationair draaiende motor af te wachten wat er gebeurt.

‘Friends, friends’

Vrijwel meteen komen vanuit de verte twee leden van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) aanrennen. Bij de jachtbommenwerper roepen ze druk zwaaiend en bijna overstemd door het lawaai van de motor zo luid mogelijk "Friends, friends". De Typhoon-vlieger, die de kap van zijn cockpit inmiddels naar achteren heeft geschoven, schreeuwt naar de twee mannen: "Zijn er nog Moffen in de buurt?" De mond van de BS’ers valt wagenwijd open. De vlieger is een Nederlander! Een landgenoot!

Eerste geallieerde landing

Het is de 27-jarige Robbert van Zinnicq Bergmann, een van de twee Nederlanders die is ingedeeld bij No. 124 Wing RAF, op dat moment gestationeerd op het Belgische vliegveld Melsbroek. ‘Bergy’ heeft toestemming gekregen om na te gaan of het vliegveld van Eindhoven al bruikbaar is voor geallieerde luchtoperaties. Na een kortstondig gesprek, waarbij niet-roker Van Zinnicq Bergmann zijn landgenoten voorziet van Engelse sigaretten, start hij zijn vliegtuig weer en vliegt zonder incidenten terug naar Melsbroek. De eerste landing van een geallieerd vliegtuig op een Nederlands vliegveld is een feit!

Waarom?

Op 17 september 1944 begint operatie Market Garden, het gewaagde geallieerde offensief om in één ruk tot over de grote rivieren te geraken. In het kielzog van de geallieerde grondtroepen trekken eenheden van de Royal Engineers en de RAF vanuit België de grens over om bestaande vliegvelden te herstellen en tijdelijke vliegstrips aan te leggen. Het is voor de geallieerde tactische luchtstrijdkrachten van groot belang om dicht achter het front te kunnen beschikken over vliegvelden. Een van de belangrijkste lessen die uit de strijd in Noord-Afrika is getrokken, is dat nabije luchtsteun alleen effectief kan worden verleend wanneer vliegvelden niet verder dan honderd mijl achter het front liggen. Alleen op deze manier blijft de aanvliegtijd naar het gevechtsterrein beperkt. En ook kunnen vliegtuigen dan meerdere operaties per dag uitvoeren. De beschikbaarheid van vliegvelden dichtbij vijandelijk gebied is vooral voor Britse jachtbommenwerpers als de Typhoon en Spitfire van belang, want zij kunnen niet veel langer dan een uur in de lucht blijven. Er zijn echter te weinig voormalige Luftwaffe-vliegvelden beschikbaar om de duizenden geallieerde toestellen te kunnen onderbrengen. Er zit daarom niets anders op om ook nieuwe vliegvelden aan te leggen.

Beeld: NIMH, Louis Kaulartz

De vliegstrips en voormalige Luftwaffe-vliegvelden in Zuid-Nederland.

Waar?

In Nederland herstellen de Britten vijf voormalige Luftwaffe-vliegvelden (Eindhoven, Volkel, Gilze-Rijen, Woensdrecht en Twente), ook leggen ze zeven tijdelijke vliegstrips aan (Grave, De Rips, Helmond, Schijndel, Heesch, Mill en Kluis). De Amerikanen herstellen een voormalig Duits veld (Venlo) en leggen en nieuwe basis aan bij het Limburgse Beek. Uit vrees voor spraakverwarring vanwege de moeilijk uitspreekbare buitenlandse plaatsnamen krijgen alle vliegvelden een code. RAF-vliegvelden worden aangeduid met een B gevolgd door een cijfer. Ter illustratie: Woensdrecht staat in de Britse luchtmacht te boek als B-79 Woensdrecht.

Locatie bepalen

De Amerikaanse velden in bevrijde gebieden beginnen met een A of Y en dan een cijfer. Bijvoorbeeld Y-55 Venlo. Voor de aanleg van de vliegstrips is voorafgaand aan D-Day al het nodige voorwerk gedaan. Aan de hand van geologische informatie, luchtfoto’s, spionage- en verzetsberichten worden diverse potentiële locaties geselecteerd. Alles hangt echter af van de snelheid en het verloop van de geallieerde opmars. Na het mislukken van Market Garden moeten de geallieerde plannen noodgedwongen worden bijgesteld: niet op de Veluwe, maar in Noord-Brabant zullen de geallieerde vliegstrips uiteindelijk worden aangelegd.

Beeld: NIMH

Een stuk PSP op Vliegbasis Woensdrecht. De foto dateert van enkele jaren geleden.

Herstel vliegvelden

De voormalige Duitse vliegvelden die in geallieerde handen vallen, zijn vrijwel zonder uitzondering zwaar beschadigd. Niet alleen zijn zij zwaar gehavend door Britse en Amerikaanse bombardementen. Ook Duitse Sperrkommandos laten zich niet onbetuigd en blazen voor vertrek bijna alle hangaars en gebouwen op. Bovendien blijkt veel infrastructuur te zijn geboobytrapt en liggen er her en der blindgangers. Er is dus veel werk aan de winkel voor de Airfield Construction Wings van de RAF en Airfield Construction Groups van de Royal Engineers. De bouweenheden beginnen op de voormalige Luftwaffe-vliegvelden met het herstel van de startbanen: bomkraters worden gevuld met zand en puin. Vervolgens worden gebouwen die niet te zwaar zijn beschadigd, opgeknapt. Van de bestaande Nederlandse vliegvelden worden eind september respectievelijk Eindhoven en Volkel als eerste Britse bases in gebruik genomen.

Beter toeven

Hoewel ze dus zwaar zijn beschadigd, is het op de voormalige Duitse bases over het algemeen beter toeven dan op de nieuw aangelegde vliegstrips. Dat vindt ook de Nieuw-Zeelandse vlieger Typhoon-vlieger Desmond Scott wanneer hij eind november 1944 met zijn eenheid neerstrijkt op Gilze-Rijen en zijn intrek neemt in het onbeschadigd gebleven Kamp Prinsenbosch. "The airfield’s domestic complex lay some miles away from the aerodrome and consisted of beautiful brick buildings", aldus Scott. "Each building was centrally heated. It was a far cry from our tents and caravans and we soon settled into the luxury of our new surroundings."

Beeld: NIMH

De aanleg van een vliegstrip met Square Mesh Track, vermoedelijk in Frankrijk.

Aanleg vliegstrips

Was het al een helse toer om bestaande vliegvelden te herstellen, nog groter is de uitdaging voor de bouweenheden bij de aanleg van nieuwe vliegstrips. Toch worden ook de eerste strips al eind september 1944 in gebruik genomen: op 25 september B-82 Grave en een dag later B-84 De Rips. Door het aanhoudende slechte weer in de herfst van 1944 moet het merendeel van het bouwmateriaal vanuit Normandië worden aangevoerd.

Platen met gaten

Voor de aanleg van start- en taxibanen gebruiken de geallieerden onder andere Square Mesh Track (SMT) en Pierced Steel Plank (PSP). SMT is een soort gaas dat op een dik pak stro of jute wordt uitgerold en vastgemaakt. Omdat dit bij slecht weer minder voldoet, wordt in het natte, drassige Nederland daarom veel meer gebruik gemaakt van PSP. Dit zijn grote stalen rijplaten, voorzien van gaten om gewicht te besparen. Ook het gebruik van PSP heeft zijn nadelen. Regelmatig hebben vliegtuigen te kampen met klapbanden, met alle gevolgen van dien. Bovendien is lang niet voldoende PSP beschikbaar. Daarom wordt de vliegstrip van Helmond grotendeels aangelegd met klinkers van een bestaande steenbakkerij. Bij Heesch gebruiken de bouwers een mix van beton, klinkers en PSP.

Starten en taxiën

Vanwege het gebrek aan bouwmaterialen worden de vliegstrips in de regel slechts voorzien van een startbaan met er omheen een taxibaan naar de opstelplaatsen. Verdere infrastructuur is nauwelijks aanwezig. De meeste eenheden gebruiken tenten voor de dagelijkse activiteiten. Een enkele keer wordt van bestaande bebouwing gebruikgemaakt. Zo wordt de verkeersleiding van Helmond ondergebracht in een boerenschuur die daarvoor wordt verbouwd en van een balkon wordt voorzien.

Beeld: NIMH

Een luchtfoto van een van de zeven vliegstrips in Nederland, B-86 Helmond.

Willem Ellens, een Nederlandse vliegveldbouwer

De meeste Nederlandse militairen die tijdens de oorlogsjaren bij de RAF worden gedetacheerd gaan er aan de slag in een vliegende functie of als techneut. Zo niet Willem Ellens. Hij wordt geboren in 14 november 1909 in het Friese Noordwolde. Zijn vader Harm is beeldend kunstenaar en ontwerper van beroep. In juli 1935, het gezin woont dan inmiddels in Santpoort, slaagt Willem voor zijn examen aan de Middelbare Technische School in Haarlem. Kort erna zoekt hij zijn heil in Zuid-Afrika. Eind 1938 behaalt hij aan de universiteit van Pretoria het staatsdiploma architect. Ellens, inmiddels getrouwd, woont nog steeds in Zuid-Afrika wanneer de oorlog uitbreekt.

Naar Engeland

In juli 1942 wordt hij ingelijfd bij de Nederlandse landmacht. Kort daarop vertrekt hij als lid van het 5e detachement dienstplichtigen per schip richting Groot-Brittannië waar hij medio augustus arriveert. Na een enkele maanden durend verblijf bij de Prinses Irene Brigade in Wolverhampton, wordt hij gedetacheerd bij de Royal Air Force Volunteer Reserve. Als Flying Officer (eerste luitenant) komt hij terecht bij 5001 Airfield Construction Squadron. Hij werkt onder meer in Normandië aan de aanleg van vliegstrips. Tijdens de laatste oorlogsmaanden is de eenheid van de Nederlandse architect onder meer actief op de vliegvelden Eindhoven en Volkel en de vliegstrips van Helmond, Mill, Grave en Heesch. Ellens blijft tot december 1945 gedetacheerd bij de RAF.

Tweede thuisland

Na nog een korte tijd in het Nederlandse militaire uniform keert hij weer terug naar Zuid-Afrika waar hij medio februari zijn vrouw en zijn in 1941 geboren zoon weer in de armen sluit. Ellens en zijn vrouw krijgen daarna nog drie kinderen. In 1947 krijgen ze een tweeling – twee jongens – in 1949 gevolgd door een dochter. Ellens pakt in zijn tweede thuisland weer zijn werk als architect op. Over de oorlog laat hij nauwelijks iets los. “He was not keen to talk about the war at all”, aldus zijn schoondochter Heather. Ellens overlijdt in 1995 in het plaatsje Howick in de buurt van Durban.