Wanneer een oorlogsvlieger niet van een gevechtsoperatie terugkeerde, behoorde het tot de taken van de adjudant van het squadron, de geestelijk verzorger of een directe collega om de persoonlijke bezittingen van de vermiste te verzamelen, sorteren en beschrijven.
Compromitterende zaken werden vaak uit de boedel gehouden, om geen verwarring en vragen bij de nabestaanden op te roepen. Wanneer een oorlogsvlieger gehuwd was en er werden tussen zijn spullen bijvoorbeeld condooms aangetroffen (die overigens vaak vrij werden verstrekt), dan werden die in de meeste gevallen verwijderd. Algemene gebruiksvoorwerpen zoals koffers, schoenen, kleding, auto’s, motoren en fietsen werden vaak geveild onder het squadronpersoneel. Persoonlijke eigendommen, zoals (burger)kleding, sieraden, paspoort, documenten, brieven en andere zaken van emotionele waarde, gingen naar een opslagcentrum van de Royal Air Force (RAF). Nabestaanden kregen deze spullen na enige tijd vanuit dit centrum thuisgestuurd. Indien de familie in bezet gebied verbleef – bij Nederlandse oorlogsvliegers was dit vaak het geval – kwamen de bezittingen eerst bij een van de ministeries terecht, om ze na de oorlog te kunnen overdragen.
Testament of codicil?
Bezat de vermiste een testament en een executeur-testamentair, dan kreeg die, vaak door tussenkomst van een van de ministeries, de persoonlijke goederen overhandigd om te verdelen. De oorlogsvlieger moest hiervoor overigens wel een geldige wilsbeschikking hebben achtergelaten. De gratis in de RAF circulerende standaardtestamenten waren bijvoorbeeld voor de meeste Nederlandse militairen niet toegestaan, omdat zij officieel niet in Groot-Brittannië woonachtig waren. Een rechtsgeldig testament kon daardoor alleen worden opgesteld door een consulair ambtenaar van de Nederlandse regering. Om dit te stimuleren konden militairen in Groot-Brittannië vanaf begin 1941 gratis een wilsbeschikking laten opmaken door een langs vliegvelden, kampementen en havens rondreizende ambtenaar van het consulaat-generaal. Later in de oorlog kwam ook voor buiten Groot-Brittannië verblijvende militairen deze regeling in zwang. Vermoedelijk beschouwden veel oorlogsvliegers het opmaken van een testament als te confronterend. In plaats daarvan stelde deze groep een zogenoemd codicil op. Dit was een door de oorlogsvlieger geheel eigenhandig geschreven, gedateerd en ondertekend geschrift, waarin hij kon aangeven wie over ‘bepaalde lijfgoederen, sieraden en bijzondere meubelen of spullen’ mocht beschikken. Zo liet waarnemer Jan van der Land van het 320 Squadron, die in juni 1944 boven Frankrijk sneuvelde, via een codicil zijn radio en auto na aan twee bevriende Britse vrouwen.
Beeld: NIMH
Enkele inventarislijsten van de nalatenschap van in de tekst genoemde vliegers.
Twee Mitchells van 320 Squadron vermist
Van oorlogsvlieger Van der Land en vijf van zijn collega’s van 320 Squadron zijn tevens de goederenlijsten bewaard gebleven die na hun vermissing zijn opgemaakt. Deze documenten geven een goed inzicht in wat een Nederlandse RAF-vlieger zoal in zijn bezit had. De vijf vermiste oorlogsvliegers behoorden tot twee verschillende crews die binnen een tijdsbestek van enkele uren op 12 en 13 juni 1944 niet terugkeerden van een gevechtsoperatie. Sergeant-vliegtuigtelegrafist Reinout van der Heyden en sergeant-luchtschutter Cor Smit maakten samen met reserve-eerste luitenant-vlieger Daan Brand en officier-zeewaarnemer der derde klasse Willem van Haeften deel uit van de bemanning van een Mitchell die in de avonduren bij een aanval op Duitse tanks in het Forêt de Grimbosq door de Duitse luchtafweer werd neergeschoten. Alle vier wisten de bommenwerper met de parachute te verlaten en raakten in krijgsgevangenschap. Ze overleefden de oorlog. Ook de tweede Mitchell-crew keerde niet terug van hun oorlogsmissie. Dit toestel was uitgezonden voor een bombardement op het station van Lisieux. De bemanning van dit toestel bestond uit officier-vlieger der eerste klasse Joop Sillevis, reserve-tweede luitenant-waarnemer Harry Huyskens, reserve-tweede luitenant-waarnemer Jan van der Land, sergeant-telegrafist George van Leeuwen en sergeant-luchtschutter Adriaan Klaassen. De Mitchell stortte neer in Frankrijk waarbij de gehele bemanning sneuvelde. Extra schrijnend was dat vlieger Joop Sillevis nog maar enkele weken daarvoor, op 12 mei 1944, in het huwelijk was getreden.