In april 1943 verschijnen in de dagbladen plotseling oproepen van de Duitse bezetter: de Nederlandse militairen die in mei 1940 zijn gedemobiliseerd moeten zich melden voor krijgsgevangenschap. De Duitsers willen zo voorkomen dat de militairen het verzet in gaan en verzekeren zich zo tegelijk van arbeidskrachten voor de oorlogsindustrie.

Overgave en erewoordverklaring

Na de Nederlandse overgave aan Duitsland in mei 1940 wordt de gehele Nederlandse krijgsmacht naar huis gestuurd. De dienstplichtige militairen krijgen als eerste groot verlof. Ook het reservepersoneel mag vertrekken. Van het beroepskader wordt een deel met groot verlof naar huis gestuurd, een ander deel krijgt een functie bij overheidsinstellingen. In tegenstelling tot de dienstplichtigen en de reservisten eisen de Duitsers van het beroepspersoneel dat ze de zogenaamde erewoordverklaring tekenen. Zij beloven daarmee niet aan de strijd tegen Duitsland te zullen deelnemen en niets te ondernemen dat het Duitse rijk schade kan berokkenen. Wie weigert zijn handtekening onder dit document te zetten, wordt direct in krijgsgevangenschap weggevoerd.

Beeld: NIMH

Marinepersoneel in het Wehrmachtslager Amersfoort in afwachting van hun afvoer naar Duitsland.

Verzet

Het overgrote deel tekent en mag naar huis. De beroepsofficieren moeten zich een keer per jaar bij de bezetter melden, een handig middel om enige grip op hen te houden. Niet iedereen houdt zich namelijk even netjes aan de erewoordverklaring; sommigen raken toch betrokken bij het verzet. Om die reden worden, op de verplichte meldingsdag in mei 1942, onverwachts ruim 2.000 beroepsofficieren in krijgsgevangenschap weggevoerd. In april 1943 roepen de Duitsers ook alle overgebleven militairen, hoofdzakelijk reservisten en dienstplichtigen, op zich te melden voor krijgsgevangenschap. De oproep leidt tot massale protesten en mondt uit in de april-mei staking.

Krijgsgevangenschap en dwangarbeid

Toch duikt slechts een enkeling onder. De meesten melden zich zoals voorgeschreven per onderdeel bij het Wehrmachtslager Amersfoort. Dit barakkenkamp aan de Zonnebloemstraat is in 1940 voor het Nederlandse leger gebouwd. Opvallend genoeg krijgen veel militairen die zich melden een vrijstelling, een zogeheten Blaue Ausweiss, waarmee ze het kamp weer kunnen verlaten. Uiteindelijk reizen bijna 9.000 militairen door naar verschillende krijgsgevangenkampen in Duitsland. Daar moeten de manschappen en korporaals vaak onder erbarmelijke omstandigheden in Arbeitskommandos dwangarbeid verrichten. Dit geldt officieel niet voor de (onder)officieren, die dankzij de Conventie van Genève niet tot werken mogen worden gedwongen. Dat betekent overigens niet dat dit in de praktijk nooit gebeurt. Een kleine tweehonderd Nederlandse krijgsgevangenen keren na de oorlog niet meer terug naar huis. De meesten van hen zijn het slachtoffer geworden van bombardementen of zijn omgekomen door ziekte.

Beeld: NIMH

Rode Kruis-medewerkers reiken voedsel uit aan militairen in het Wehrmachtslager Amersfoort.

Herdenking

In 1993 wordt in het stationsgebouw van Amersfoort het ‘Monument voor ex-krijgsgevangenen’ onthuld. Op de gedenkplaat, een koperen plaquette, is een wachttoren afgebeeld met een tekst die herinnert aan de afvoer van de krijgsgevangenen.