Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog vervullen maar liefst 340.000 militairen een vliegende functie bij de RAF. Het Nederlandse aandeel, zo’n 700 vliegers, waarnemers, telegrafisten en luchtschutters bedraagt daardoor in 1945 nog geen 0,6 procent van de gehele personele omvang van de Britse luchtmacht. Hoewel de Nederlandse bijdrage kwantitatief gezien dus uiterst gering is, mag om een aantal redenen niet geringschattend worden geoordeeld over de participatie van Nederlands luchtvarend personeel aan de luchtoorlog boven Noordwest-Europa.

Van betekenis

In de eerste plaats lopen de Nederlandse militairen van de RAF een niet gering risico om te sneuvelen bij de luchtoperaties boven Europa. Ofschoon zij beseffen dat zij mogelijk het grootste offer moeten brengen, weerhoudt het hen er niet van dienst te nemen. In de tweede plaats leveren de twee Nederlandse RAF-squadrons en de individuele Nederlandse militairen die zijn ingedeeld bij Britse eenheden – hoe klein ook wanneer beschouwd binnen het grote geheel van de RAF – een waardevolle bijdrage aan de bevrijding van het Europese vasteland. Ten derde mag de propagandistische waarde van de Nederlandse deelname aan de luchtoorlog niet onderschat worden. Het geeft de Nederlanders in bezet gebied hoop en dient voor de Nederlandse politiek als middel om door de geallieerde partners (meer) serieus te worden genomen. Ten slotte is de deelname aan de luchtoorlog door Nederlanders ontegenzeggelijk van groot belang voor de opbouw van de naoorlogse luchtstrijdkrachten waarvan de oorlogsgeneratie de kern gaat vormen. Doordat de voormalige RAF-militairen bekend zijn met de laatste stand van zaken op technisch en operationeel vlak wordt eind jaren veertig zonder echt grote problemen het straaltijdperk binnengegaan.