In Nederland wordt de kern van de luchtstrijdkrachten in 1940 gevormd door het Wapen der Militaire Luchtvaart (ML) van de Koninklijke Landmacht. Daarnaast zijn de meeste opleidingsfaciliteiten van de Marineluchtvaartdienst (MLD) in Nederland geconcentreerd. Hoewel de ML in de jaren voor 1940 aanzienlijk is gemoderniseerd met onder meer Fokker G.1 jachtkruisers en Fokker D.21-jachtvliegtuigen is de gevechtskracht van de legervliegdienst beperkt, zeker in vergelijking met het Duitse luchtwapen.

Vechten tot het einde

Als de Nederlandse strijdkrachten op 14 mei 1940 capituleren is de ML zo goed als vernietigd. Slechts het personeel van de vliegscholen van Souburg en Haamstede, in totaal zo’n 280 man, weet naar Groot-Brittannië te ontkomen. Het betreft hier voor het merendeel in opleiding zijnde vliegers en leden van de technische dienst. Van het ML-personeel dat in de meidagen van 1940 operationeel wordt ingezet weet nagenoeg niemand direct na de Nederlandse capitulatie Groot-Brittannië te bereiken. Daaraan liggen twee redenen ten grondslag. In de eerste plaats wordt Nederland binnen een tijdsbestek van slechts enkele dagen bezet, waardoor ontkomen bijzonder moeilijk is. De tweede oorzaak ligt verscholen in het feit dat er vooraf in het neutrale Nederland geen plannen zijn gemaakt om in geval van een capitulatie het land te ontvluchten om elders de wapens op te pakken. Luitenant-generaal Piet Best, die in mei 1940 de luchtverdediging van Nederland leidt, verklaart naderhand: “Er was voor ons geen sprake van de wijk nemen. Wij wisten van tevoren, dat wij ons zouden doodvechten, althans de luchtmacht.”

Beeld: NIMH, Collectie Fotoafdrukken Koninklijke Luchtmacht

Op 18 mei 1940 kent de Nederlandse opperbevelhebber Henri Winkelman de hoogste dapperheidsonderscheiding toe aan het Wapen der Militaire Luchtvaart van de Koninklijke Landmacht: Ridder der 4e klasse in de Militaire Willems-Orde.

MLD houdt zich afzijdig

Dit vormt een schril contrast met de MLD. De marinevliegdienst heeft zich in de luchtstrijd grotendeels afzijdig gehouden omdat het hoofdzakelijk is uitgerust met verouderde watervliegtuigen voor les- en verkenningsdoeleiden. Uiteindelijk nemen 28 van deze toestellen met bemanning via Frankrijk de wijk naar Groot-Brittannië.

De strijd voortgezet

Als eind mei 1940 de balans wordt opgemaakt, bevindt zich van de voormalige ML dus alleen het personeel van de genoemde vliegscholen in Groot-Brittannië. De MLD-vertegenwoordiging aan de overkant van de Noordzee bestaat uit een allegaartje aan watervliegtuigen en ongeveer 75 vliegers, waarnemers, telegrafisten en een klein aantal technische officieren en ervaren vliegtuigmakers. De vraag is op welke wijze de strijd tegen Nazi-Duitsland het best kan worden voortgezet. Het antwoord daarop is niet eenvoudig. Men bevindt zich in een vreemd land dat zich opmaakt voor een allesbeslissende strijd met Duitsland en waar iedere persoon afkomstig van het vasteland van Europa met wantrouwen en achterdocht wordt behandeld. Het verzoek van het in alle haast opgerichte Bureau Luchtvaart op het Nederlandse Ministerie van Oorlog in Londen hoopt aanvankelijk dat het ML-personeel de opleiding kan afronden op een Britse vliegschool. Die plannen worden afgewezen door Groot-Brittannië. Wel wordt de suggestie van de hand gedaan om een vliegschool te vestigen op het Canadese Gander. Om onduidelijke redenen wordt dit voorstel op zijn beurt weer door de Nederlandse regering afgewezen.

Beeld: NIMH, Collectie Fotoafdrukken Koninklijke Marine

Aankomst van geëvacueerd ML-personeel van vliegschool Haamstede in Caen (Normandië), medio mei 1940. Samen met personeel van de vliegschool Souburg bij Vlissingen weet de groep op 31 mei Engeland te bereiken.

Beeld: NIMH, Collectie Nederlanders bij de RAF

De Nederlandse ‘luchtmachtstaf’ van het Ministerie van Oorlog in Arlington House (Londen). Reserve kapitein-vlieger Meindert Kamphuis (zittend) in conclaaf met reserve majoor-waarnemer Jan Berdenis van Berlekom, chef van het Bureau Luchtvaart.

320 Squadron

Personeelsgebrek bij de MLD doet de minister van Oorlog uiteindelijk besluiten het ML-personeel over te hevelen naar het luchtwapen van de marine. Dit krijgsmachtdeel heeft inmiddels uit het uitgeweken personeel en materieel op 1 juni 1940 een nieuwe eenheid geformeerd, het 320 (Dutch) Squadron, dat bij RAF Coastal Command wordt ingedeeld. Korte tijd later wordt nog een tweede eenheid, het 321 (Dutch) Squadron, opgericht. De MLD beschikt echter niet over voldoende personeel om beide eenheden volledig ‘te vullen’. De helft van de instructeurs en de verst gevorderde leerlingen worden daarom per 1 augustus 1940 bij het 320 en het 321 Squadron ingedeeld, de overige leerling-vliegers gaan een maand later over naar de MLD. Zij zetten eerst hun opleiding voort in Nederlands-Indië. In enkele groepen keren zij in de loop van 1941 terug naar Groot-Brittannië om op de RAF-basis Grantham hun vliegopleiding te voltooien. Vanaf begin 1942 maken ook zij deel uit van 320 Squadron. Direct gevolg van deze overheveling van het ML-personeel naar de MLD is wel dat in de zomer van 1940 nog geen Nederlandse vliegers, hoewel ze dit wel vurig wensen, deel uitmaken van RAF Fighter Command dat een verwoede strijd voert met de Duitse Luftwaffe tijdens de Slag om Engeland.

De strijd kost levens

Het takenpakket van 320 en 321 Squadron – de laatste eenheid wordt begin 1941 wegens gebrek aan mankracht opgeheven – bestaat in de eerste oorlogsmaanden uit het vliegen van patrouilles boven zee. Aanvankelijk gebeurt dit met een aantal uit Nederland geëvacueerde Fokker T.8W’s en van de Britten overgenomen Avro Ansons. Vanaf eind 1940 nemen Lockheed Hudsons deze taak over. Vanaf het voorjaar 1941 gaat het 320 Squadron vanaf het Schotse Leuchars deelnemen aan anti-scheepvaartpatrouilles boven de noordelijke Noordzee en de Noorse kust. Ook voert de Nederlandse Hudson-eenheid vanaf 1941 af en toe bombardementen uit. De eerste aanval, waarbij het Noorse vliegveld Mandal wordt gebombardeerd, staat in de nacht van 9 op 10 mei 1941 op het programma, precies een jaar na de Duitse inval in Nederland. Ondanks enkele succesvolle operaties staat deze periode toch vooral ook in het teken van zware verliezen.

Beeld: NIMH, Collectie Nederlanders bij de RAF

Vlak na de aanval op het Noorse vliegveld Mandal in de nacht van 9 op 10 mei 1941 wordt de bemanning van de Lockheed Hudson met de bijnaam “Tji Liwoeng” samen met enkele leden van de grondstaf op de foto gezet. Staand van links naar rechts: telegrafist A.J. Lensing, vliegtuigcommandant D. de Koning, waarnemer W.M.A. van Rossum en boordschutter A.W. Klaassen. De namen van de op de grond zittende technici zijn, met uitzondering van A.H. Farla rechts, niet bekend.

Beeld: NIMH, Collectie Losse Fotografische Objecten

Pembroke Dock, 1940. Grondpersoneel van het 320 (Dutch) Squadron sjouwt een anti-onderzeebootbom naar een Fokker T.8W. Het is een aardige klus aangezien de bom ruim 113 kilogram weegt.

Bombarderen van schepen

Daarin komt weinig verandering als het squadron vanaf het voorjaar van 1942 voornamelijk langs de Franse, Belgische en Nederlandse kust gaat opereren. Een jaar lang wordt ‘320’ nu boven deze wateren ingezet in het kader van de Britse anti-shipping campaign. In tegenstelling tot eerder vinden deze missies hoofdzakelijk in de nachtelijke uren en op lage hoogte plaats. Zo wordt getracht de Duitse scheepskonvooien te verrassen. Dat gelukt maar gedeeltelijk: in de genoemde periode worden negen Nederlandse Hudsons neergeschoten waarbij van acht toestellen de gehele vierkoppige bemanning om het leven komt. In maart 1943 wordt 320 Squadron teruggetrokken uit RAF Coastal Command. Tot dat moment heeft de eenheid (volgens eigen opgave) in totaal 37 schepen tot zinken gebracht of zwaar beschadigd.

De Mitchell-periode

In het voorjaar van 1943 krijgt 320 Squadron de beschikking over de B-25 Mitchell-bommenwerper en wordt het ingedeeld bij No. 2 Group RAF. Op 17 augustus wordt de eerste bombardementsmissie met de Mitchell uitgevoerd. Twee dagen later wordt voor het eerst ook een doel in Nederland aangevallen: de scheepswerf ‘De Schelde’ in Vlissingen. De meeste doelen van het squadron bevinden zich echter in Frankrijk, waar in eerste instantie vooral havens, vliegvelden en spoorweg- en verkeersknooppunten worden gebombardeerd. In november 1943 wordt de Nederlandse marine-eenheid overgeheveld naar de Second Tactical Air Force (2nd TAF). De voornaamste taak van de 2nd TAF bestaat uit het voorbereiden en ondersteunen van de geallieerde landingen in Normandië in juni 1944. De zeer intensieve vliegperiode die daarmee aanbreekt, vergt een maximale inzet van het squadron. Daarnaast heeft het een schrikbarende stijging van de verliezen tot gevolg: in de twaalf weken na D-Day verliest 320 Squadron tien Mitchells waarbij een kleine 40 bemanningsleden om het leven komen.

Beeld: NIMH, Collectie Nederlanders bij de RAF

Een B-25 Mitchell van 320 (Dutch) Squadron bombardeert de IJsselbrug bij Deventer op 29 november 1944. De toegebrachte schade is echter minimaal. De Duitsers kunnen de brug na een snelle reparatie weer volledig benutten.

Operationele inzet boven Nederland

Nadat Frankrijk en het grootste gedeelte van België in september 1944 zijn bevrijd kan het squadron zich gaan opmaken voor een verplaatsing naar het vasteland van Europa. Halverwege oktober 1944 strijkt het squadron neer op Zaventem bij Brussel. Nu Nederland steeds nadrukkelijker in het frontgebied komt te liggen, staan ook steeds vaker doelen op vaderlandse bodem op het programma. Onder meer bruggen bij Roermond, Venlo, Zwolle en Deventer zijn herhaaldelijk het doelwit van de Nederlandse middelzware bommenwerpers. Voorts nemen Mitchells ook deel aan het (mislukte) bombardement op Bezuidenhout waarbij een groot aantal burgerslachtoffers is te betreuren. 320 squadron beleeft het einde van de Tweede Wereldoorlog in het Duitse Achmer, waarnaar het kort voor mei 1945 wordt overgeplaatst. Gedurende de bijna vijf oorlogsjaren verliezen 157 bemanningsleden van 320 Squadron het leven.

Zwart-witfoto. Een groep mannen in militair uniform poseert voor de foto.

Groepsfoto van 10 november 1941 van No. 34 Course van No. 12 Service Flying Training School op het vliegveld Grantham in Engeland. De voorste twee rijen op deze foto bestaat uit vliegers van de Marine Luchtvaartdienst (MLD) na hun terugkomst uit Nederlands-Indië.

Beeld: NIMH, Collectie Nederlanders bij de RAF

Zwart-witfoto. Een aantal mannen staat op de voorkant van een vliegboot.

Horn Island in Australië, 3 juli 1943. Enkele MLD’ers op een Dornier Do-24K-vliegboot. Op Horn Island bevindt zich tijdens de Tweede Wereldoorlog enige tijd een detachement van de MLD.

Beeld: NIMH, Collectie Fotoafdrukken Koninklijke Marine

Zwart-witfoto. Een groepje mannen staat voor een vliegtuig.

Nederlandse vliegers in dienst van de Britse Fleet Air Arm (FAA) naast een Grumann Hellcat.

Beeld: NIMH, Collectie Nederlanders bij de RAF