Na de mislukking van Operatie Market Garden komt de geallieerde opmars in de herfst van 1944 nagenoeg tot stilstand. Om de vliegafstand tot het frontgebied te bekorten wordt 320 Squadron in oktober op Melsbroek bij Brussel gestationeerd.
Boven Nederland
Vanzelfsprekend staan voor de Nederlandse bommenwerpers nu nog vaker dan in de voorgaande maanden doelen op vaderlandse bodem op het programma. Vooral de bruggen in het Nederlandse rivierengebied zijn vanaf het najaar van 1944 herhaaldelijk het doelwit van de Mitchells. De Duitse troepen worden via deze rivierovergangen bevoorraad. Voor de geallieerden is het daarom van belang dat deze worden vernietigd. Onder meer de bruggen bij Venlo, Roermond en Zwolle staan vanaf het najaar van 1944 herhaaldelijk op de agenda van 320 Squadron. Deze blijken in de praktijk allesbehalve eenvoudig te vernietigen, te meer daar het doel altijd vanaf de zijkant wordt aangevlogen om te voorkomen dat de bommen de brug voorbij schieten en de burgerbevolking treffen. Dit heeft volgens de toenmalige officier zeewaarnemer der 2e klasse André Hissink tot gevolg dat deze operaties niet populair zijn bij de bemanningen van 320 Squadron:
“Wij hebben verschillende doelen gehad die ons zwaar de keel uithingen. Een (…) voorbeeld is de Maasbrug bij Venlo. Daar zijn we drie, vier keer heengegaan. Elke keer, of de bommen er nou overheen gingen of niet, het ding bleef staan. En dan moesten we weer terug, terwijl de Duitsers er iedere keer meer luchtdoelkanonnen opstelden. Het werd daar zo steengevaarlijk. Daar stond je voor te beven, daar ging je liever niet heen.”
Beeld: NIMH, Collectie Fotoafdrukken Koninklijke Marine
Het bombardement op de spoorbrug van Buggenum, ten noordwesten van Roermond, op 11 november 1944. De opname is genomen vanuit een B-25 Mitchell van 320 (Dutch) Squadron.
Bombardement op Bezuidenhout
Hoewel van tijd tot tijd nog wel een doel in Nederland wordt aangevallen, opereert het squadron vanaf begin 1945 steeds vaker boven Duitsland. Een van de weinige keren dat de Mitchells zich nog boven Nederland vertonen, is bij het bombardement op de Haagse wijk Bezuidenhout. Het is ongetwijfeld de meest dramatische missie van het Nederlandse squadron tijdens de gehele oorlog. Er moet een raket- en opslaginstallatie voor V2-raketwapens in het Haagsche Bos worden aangevallen. In totaal nemen 43 Mitchells en 12 Bostons afkomstig van Vitry in Frankrijk en Melsbroek in België deel aan de operatie. De commandant van het Nederlandse squadron, hoofdofficier-vlieger Cees Witholt, vindt het doelgebied veel te dicht bij de Haagse woonwijken liggen en weigert aan de aanval deel te nemen. De missie wordt vervolgens geleid door de Britse Wing Commander Dennys Mitchell. Het bombardement loopt uit op een drama. Omdat het doelgebied grotendeels bewolkt is, besluit Mitchell met behulp van de Gee-H-radarapparatuur te bombarderen. Doordat echter de kaartcoördinaten van het doel bij het plannen van de missie pardoes zijn verwisseld en ook te weinig rekening is gehouden met de forse wind, komen de meeste bommen in het Bezuidenhout terecht. Sergeant Pim de Bruyn Kops – geboren en getogen in Den Haag – is een van de vliegers van 320 Squadron die deelneemt aan het bombardement:
“We startten vroeg om rond acht uur bij Den Haag te kunnen zijn. Het was de bedoeling op zicht te bombarderen, maar door de wisselende bewolking bleek dat niet goed mogelijk. Nu deed de nummer 1 van de formatie dat aan de hand van de coördinaten, verstrekt door een onervaren inlichtingenofficier van een RAF-eenheid in Noord-Frankrijk. Ik kende Den Haag uiteraard goed en toen ik naar bakboord wegdraaide, zag ik dat die bommen helemaal verkeerd lagen.”
In het inferno komen tenminste 520 Hagenaars om het leven en wordt een groot deel van de woonwijk verwoest.
320 Squadron verhuist op 1 mei naar het Duitse Achmer. Op dit Duitse vliegveld bevindt de marine-eenheid zich nog steeds wanneer een kleine week later, op 7 mei, de wapens definitief zwijgen.
322 Squadron naar Nederland
Eind 1944 maakt ook 322 Squadron zich op om te gaan opereren vanaf het Europese vasteland. Het krijgt daarvoor de beschikking over Spitfire Mk-XVI-jachtbommenwerpers. Deze toestellen zijn voorzien van een versterkte vleugel waardoor ook bommen en raketten kunnen worden meegevoerd. Het instrumentarium in de cockpit is onder meer voorzien van een gyro gun- en bombsight die door de vliegers wordt gebruikt om hun projectielen op de juiste plek te deponeren. Begin januari 1945 wordt het squadron overgeplaatst naar Woensdrecht. Daar bevinden zich op dat moment inmiddels vier andere RAF-squadrons. De eerste opdracht van het squadron wordt uitgevoerd op 4 januari 1945; samen met een Noorse eenheid wordt in de ochtenduren een gewapende verkenning in de buurt van Rheine uitgevoerd. Hierbij wordt een locomotief beschoten en beschadigd. ’s Middags wordt deelgenomen aan een duikaanval op een kruispunt ten noorden van Zaltbommel. Ook in de weken daarna opereren de Nederlandse jachtbommenwerpers veelvuldig boven Nederland en West-Duitsland.
Skipbombing
De grondondersteuningstaak van 322 Squadron is effectief maar tevens uiterst risicovol, met name wanneer de Spitfires hun duikvlucht naar het doel uitvoeren. Er wordt geconstateerd dat de vliegers op die momenten veel te lang aan vijandelijk vuur blootstaan. Daarom wordt uiteindelijk besloten om een andere tactiek, het zogenaamde skipbombing toe te passen. Anders dan voorheen, wordt het doel daarbij op lage hoogte aangevlogen. De afgeworpen bommen moeten daarvoor wel worden voorzien van een vertraging van ongeveer 11 seconden.
Beeld: NIMH, Collectie Nederlanders bij de RAF
Flying officer Ab Homburg wordt – na een korte carrière als geheim agent –opgeleid tot vlieger. Hij dient vervolgens bij 322 (Dutch) Squadron. Op 1 april 1945 wordt hij tijdens een vlucht door een Duitse Flak neergeschoten en sneuvelt bij Ambt Delden, even ten westen van Hengelo.
Tot het einde
Eind februari 1945 verkast het squadron naar Schijndel, een nieuw aangelegd vliegveld dat is voorzien van een 1.300 meter Pierced Steel Planking (PSP)-startbaan. Op deze tijdelijke basis krijgt het squadron voor het eerst officieel een Nederlandse squadroncommandant in de persoon van squadron leader Bob van der Stok. Ook vanaf Schijndel blijft 322 Squadron nog regelmatig boven Nederland opereren, soms met forse verliezen. Op 1 april 1945 bijvoorbeeld, keren maar liefst vier Spitfires niet terug van een gewapende verkenning. Naderhand blijkt dat één vlieger, flying officer Ab Homburg, een Velsenaar die tot twee keer toe vanuit Nederland naar Engeland heeft weten te ontsnappen, om het leven is gekomen.
Twee andere vliegers bevinden zich gewond in hospitalen en de vierde, warrant officer Hans van Roosendaal, in Duits krijgsgevangenschap. Daaruit weet hij na de nodige avonturen te ontsnappen. Halverwege april keert Van Roosendaal terug bij het squadron. Kort daarna vertrekt 322 Squadron naar Twenthe. Vanaf deze basis opereren de Nederlandse Spitfires de tweede helft van april nog vrijwel uitsluitend boven Duits grondgebied. Vanaf Duits grondgebied is 322 Squadron getuige van de Duitse capitulatie: Op 30 april wordt het squadron overgeplaatst naar Varrelbusch. Hier bevinden het personeel en de Spitfires zich nog steeds wanneer op 7 mei 1945 een eind komt aan de oorlog in Europa.




