Spoedig nadat in juni 1940 in Groot-Brittannië het 320 (Dutch) Squadron is opgericht krijgt deze eenheid, die in de eerste oorlogsjaren deel uitmaakt van de organisatie van Royal Air Force (RAF) Coastal Command, te kampen met een acuut gebrek aan vliegtuigtelegrafisten. Om dit tekort weg te werken start de Koninklijke Marine begin 1941 een wervingscampagne in Nederlands-Indië. Jongemannen van zeventien jaar en ouder die de Nederlandse nationaliteit bezitten en tenminste een Mulo-B-diploma op zak hebben, komen in aanmerking voor een dergelijke functie bij het Nederlandse squadron.

Jongste telg

De oproep moet ook de in maart 1917 in Goes geboren Adriaan Hamelink hebben aangesproken, want hij meldt zich aan. Adriaan is de jongste telg uit een gereformeerd gezin met zeven kinderen. Hamelink senior, een touwslager, overlijdt kort na de geboorte van Adriaan. Vanaf 1922 woont de familie in Middelburg. In de jaren dertig trekt Adriaan naar het buitenland.

Beeld: NIMH, Collectie Nederlanders bij de RAF

Een onderonsje tussen Adriaan Hamelink en Henk Voorspuy op het RAF-station Lasham in Engeland. Hamelink staat naast de B-15 Mitchell met serienummer FR142 ‘Margriet’. Voorspuy zit in de cockpit.

Naar Engeland

Na de voltooiing van zijn training in Nederlands-Indië vertrekt hij eind 1941 met nog zo’n 35 nieuwe collega’s via de Verenigde Staten naar het Verenigd Koninkrijk. In Engeland doorlopen de vliegtuigtelegrafisten de laatste fase van hun training. Dit gebeurt onder meer bij No. 1 (Coastal) Operation Training Unit op het vliegveld van Silloth in North Cumbria. Deze operationele trainingseenheid is uitgerust met de Lockheed Hudson. Voor zover bekend heeft Hamelink evenwel geen oorlogsvluchten op dit toestel gevlogen, maar gaat hij als bemanningslid van de B-25 Mitchell, de opvolger van de Hudson, deelnemen aan de luchtoperaties boven Noordwest-Europa.

Desastreuze vlucht

Hamelink maakt daarbij in eerste instantie deel uit van de bemanning van officier-vlieger-waarnemer Jan Roosenburg, die verder nog uit officier-vlieger-waarnemer Jo Bongaerts en sergeant-luchtschutter Willem Kauwenbergh bestaat. In medio 1943 vliegt Hamelink zijn eerste oorlogsvlucht, een air-sea-rescue-vlucht. Spoedig volgen meer risicovolle opdrachten: het bombarderen van militaire installaties en vliegvelden, voornamelijk in Frankrijk. Ook op 25 oktober 1943 staat een dergelijke missie op het programma als het 320 Squadron en het Britse 98 Squadron opdracht krijgen om het vliegveld Lannex/Pontmic bij Brest aan te vallen.

Voor de Nederlanders verloopt de vlucht desastreus: twee B-25’s keren niet terug naar de thuisbasis Lasham. Het toestel van de commandant van het 320 Squadron, hoofdofficier-vlieger Eddy/Eddie Bakker, krijgt een voltreffer en ontploft in de lucht waarbij alle inzittenden om het leven komen. Het tweede toestel is genoodzaakt voor de Franse kust een noodlanding in zee te maken waarbij de vlieger verdrinkt en de overige drie inzittenden krijgsgevangen worden gemaakt.

Beeld: NIMH, Collectie Nederlanders bij de RAF

De commandant van het 320 Squadron, Eddy/Eddie Bakker (midden), bespreekt met enkele bemanningsleden de komende vlucht. Derde van links is Adriaan Hamelink. Bakker en Hamelink overleven de oorlog allebei niet.

Zware schade

Enkele andere toestellen raken zodanig beschadigd dat ze in Zuid-Engeland een voorzorgs- of noodlanding moeten uitvoeren. Dat geldt ook voor de Mitchell van Hamelink. Boven het doelgebied brengt een ontploffende luchtdoelgranaat de bommenwerper zware schade toe. Niet alleen worden de meeste cockpitinstrumenten en de intercom door de explosie buiten werking gesteld, ook een van de motoren vertoont kuren. Tevens blijkt dat de geschutstoren aan de onderzijde van het vliegtuig niet meer kan worden ingetrokken. Ten slotte heeft de granaat een gapend gat in de neus van de Mitchell geslagen. Pas na enige tijd weet vlieger Roosenburg, die bij de beschieting zelf gewond is geraakt, zijn vliegtuig weer onder controle te brengen. Ook de andere bemanningsleden zijn door rondvliegende granaatscherven getroffen.

Koelbloedig optreden

Waarnemer Bongaerts is er het slechtst aan toe. Een granaatsplinter heeft de latere directeur van de Nederlandse Aardolie Maatschappij zo ernstig aan zijn knie verwond, dat hij uiteindelijk acht maanden in een ziekenhuis moet verblijven. Luchtschutter Kauwenbergh is in zijn dij en linkerarm getroffen en Adriaan Hamelink raakt aan zijn gezicht gewond. De Zeeuwse vliegtuigtelegrafist was ondanks zijn eigen verwondingen nog wel bij machte om naar de neus van het vliegtuig te kruipen en een noodverband bij Bongaerts aan te leggen. Daarna assisteert hij Roosenburg bij het uitvoeren van een geslaagde noodlanding op het gras naast de startbaan van het vliegveld van Perranporth. Voor hun koelbloedige optreden krijgen de officieren Roosenburg en Bongaerts begin 1944 het Britse Distinguished Flying Cross en de onderofficieren Hamelink en Kauwenbergh het Nederlandse Vliegerkruis uitgereikt.

Beeld: NIMH, Collectie Glasnegatieven en Lantaarnplaatjes Koninklijke Marine

Het toestel waarin Hamelink zijn luchtoperaties uitvoert: de B-25 Mitchell.

De laatste missie

Met uitzondering van Bongaerts vliegt de bemanning van Hamelink spoedig weer nieuwe oorlogsmissies. Wanneer het squadron na de landingen in Normandië in oktober 1944 op het Belgische vliegveld Melsbroek neerstrijkt, heeft de 27-jarige Zeeuw inmiddels een kleine vijftig oorlogsvluchten op zijn naam staan. Het verblijf in België stelt Hamelink in november 1944 in de gelegenheid om na vele jaren zijn moeder en broers en zussen in het pas bevrijde Middelburg te bezoeken. Het is meteen de laatste keer dat zijn familie hem in levenden lijve ziet. Op 29 november maakt de Zeeuw deel uit van een van de zes Mitchell-bemanningen van het 320 Squadron die opdracht hebben om – samen met Bostons en Mitchells van een aantal andere squadrons – de spoorbrug van Deventer te vernietigen. In de omgeving van Ede komt de Nederlandse formatie in een hevig luchtafweer terecht. Daarbij wordt de vliegtuigtelegrafist door een granaatscherf dodelijk in zijn rug getroffen. De drie andere inzittenden blijven ongedeerd. Enkele dagen later wordt Hamelink in het bijzijn van enkele squadronleden en zijn familie begraven in Middelburg.

Beeld: H. van Sabben

Een beeld dat Hamelink nooit te zien zou krijgen: ontploffende bommen in Deventer tijdens de aanval op 29 november 1944. Onderweg naar de Hanzestad wordt de vliegtuigtelegrafist dodelijk getroffen door een scherf van een Duitse luchtdoelgranaat.