Om tijdens het Ardennenoffensief tijdelijk luchtsuperioriteit te hebben, bedenkt de Luftwaffe luchtoperatie Bodenplatte. In luchtgevechten (dogfights) lukt het niet de geallieerde luchtstrijdkrachten te verslaan, daarom moet het maar bij de bases gebeuren met een massale verrassingsaanval op een aantal geallieerde vliegvelden in Zuid-Nederland, België en Noord-Frankrijk. Eigenlijk moet Bodenplatte al op 16 december 1944 aanvangen, gelijktijdig met het grondoffensief in de Ardennen, maar het slechte weer noopt de Duitsers de luchtoperatie een aantal keer uit te stellen. Pas op 1 januari 1945 kan de operatie eindelijk doorgaan. In Nederland worden Eindhoven, Volkel, Woensdrecht en Gilze-Rijen bestookt.

Geheime verrassingsaanval

Op nieuwjaarsdag 1945 stijgen ruim twintig Fw 190-jachtvliegtuigen van I./JG 1 op vanaf Twente met als doel de Belgische vliegvelden Ursel, Maldegem en St. Denijs-Westrem. Zij maken in de lucht contact met zo’n dertig Bf 109-jagers van III./JG 1 en vliegen gezamenlijk naar het westen. Vanwege de uiterste geheimhouding rondom de verrassingsaanval, is de Duitse luchtafweer niet op de hoogte gebracht. Meerdere Duitse toestellen worden bij het naderen van Den Haag getroffen door eigen afweergeschut. Onder meer Geschwaderkommodore Oberst Herbert Ihlefeld valt ten prooi aan de Flak, maar heeft het geluk een buiklanding te kunnen maken in de buurt van Rotterdam; hij kan weer terugkeren naar Twente. Boven zee voegen de overgebleven vliegtuigen zich bij dertig Fw 190’s van II./JG 1.

Geen succes

JG 1 boekt successen, maar die hadden groter kunnen zijn. Zo zijn de Spitfires op Ursel een dag eerder al grotendeels naar het Verenigd Koninkrijk verplaatst en op Maldegem hebben de Duitsers moeite hun doelen te vinden door de verspreide opstelling van vliegtuigen en door hevige rook die het zicht belemmert. Bij St. Denijs-Westrem raken de Duitse jagers verwikkeld in luchtgevechten en schieten zij een aantal geallieerde toestellen uit de lucht. Maar zelf komen zij ook niet ongeschonden uit de strijd. Zo komt de Gruppenführer van I./JG 1, Hauptmann Georg Hackbarth, om nadat zijn toestel door luchtafweer wordt neergeschoten. En op de terugvlucht sneuvelt onder meer de commandant van de 4. Staffel Oberleutnant Hans Gottfried Meinhof wanneer bij Breda ook hij door geallieerd luchtafweergeschut wordt getroffen. Uiteindelijk is Bodenplatte geen succes. De Luftwaffe weet weliswaar honderden vliegtuigen te vernietigen en beschadigen, maar lijdt ook zelf zware materiële en personele verliezen (onder andere 22 zeer ervaren commandanten). Bovendien blijkt de Duitse industrie in tegenstelling tot die van de geallieerden niet in staat de verloren gegane vliegtuigen binnen korte tijd aan te vullen.

Vertrek uit Twente

Na het verlies van Hackbarth treedt op 3 januari 1945 Major Günter Capito aan als commandant van I./JG 1. Hij heeft altijd bommenwerpers bestuurd en ontbeert dus ervaring als jachtvlieger. In de lucht krijgt op zijn verzoek daarom Leutnant Emil Demuth de leiding. Maar de inzet van de zwaar gehavende Gruppe blijft na Bodenplatte beperkt. Geleidelijk wordt de eenheid aangevuld met materieel en (veelal onervaren) vliegers, maar vertrekt dan op 14 januari van Twente om te strijden aan het Oostfront. Zelfs het vertrek gaat letterlijk en figuurlijk de mist in. Capito: “Am morgen hersschte in Twente dichter Nebel.” Daardoor zijn niet alle vliegers in staat tegelijk te vertrekken. Twee Staffeln wachten tegen de orders in totdat het weer wat opklaart. Zij worden na vertrek echter onderschept door geallieerde jachtvliegtuigen. De gevolgen zijn fataal. Zo’n tien vliegers verliezen hun leven, waarmee ook de laatste dag op Twente nog een zwart randje krijgt.