Na het mislukken van operatie Market Garden en het vastlopen van de geallieerde opmars eind september 1944, geeft opperbevelhebber Dwight D. Eisenhower het bevel tot het veroveren van de oevers van de Westerschelde. De haven van Antwerpen, essentieel voor de bevoorrading van troepen, is op 4 september al in geallieerde handen gevallen, maar kan nog niet gebruikt worden zolang de Duitsers de toegang beheersen. Ook zijn Amerikaanse eenheden van september 1944 tot februari 1945 in het Hürtgenwald bij Aken in een zware strijd verwikkeld om controle over de Roer te krijgen. Daardoor moet het Amerikaanse VIII Corps in de Ardennen een ongebruikelijk lange linie van 120 kilometer verdedigen. Dit legerkorps bestaat voornamelijk uit eenheden zonder gevechtservaring, aangevuld met eenheden die herstellen van de gevechten en verliezen in het Hürtgenwald.

Ardennenoffensief

De ontwikkelingen aan het Westfront, gecombineerd met het stilvallen van de opmars van het Rode Leger aan het Oostfront, geven Hitler de gelegenheid tot het lanceren van een groot tegenoffensief. Hitler ruikt kansen in de Ardennen. Het zou de laatste grote poging blijken om het tij aan het Westfront in Duitslands voordeel te keren. Op 16 december 1944 lanceert Heeresgruppe B onder leiding van Generalfeldmarschall Walter Model met ruim 200.000 man het Ardennenoffensief. Mede door Duitse misleidingsoperaties zijn de geallieerden aanvankelijk verrast. Maar het plan om in een week tijd door te stoten naar Antwerpen en de stad te heroveren blijkt al snel veel te ambitieus. Met name om de stad Bastenaken, een knooppunt van wegen, wordt hard gestreden. De Amerikanen weten stand te houden en krijgen versterking, onder meer van de Britten.

Kou en sneeuw

De strijd speelt zich af in moeilijk begaanbaar terrein en onder barre omstandigheden, met bittere kou, sneeuw en vaak extreem slecht zicht. Begin januari 1945 verbetert het weer en beginnen de geallieerden een tegenaanval. Aan het eind van die maand is het pleit in hun voordeel beslecht. Tijdens het gehele Ardennenoffensief zetten de Amerikanen 600.000 en de Britten 55.000 militairen in, tegenover meer dan 500.000 Duitse militairen. De verliezen zijn groot: de Amerikanen hebben 100.000 slachtoffers (onder wie 19.000 doden), de Britten 1400 (200 doden) en de Duitsers 130.000 (19.000 doden).

Vliegen vanaf Twente

Ook aan de Luftwaffe is een belangrijke rol toebedeeld tijdens het Ardennenoffensief: luchtverdediging, bombardementen en steun aan grondtroepen. De I. Gruppe van Jagdgeschwader 1 verhuist daarom op 17 december 1944 naar Fliegerhorst Twente. Op 18 december komt I./JG 1 voor het eerst met zijn eenmotorige Focke Wulf-jachtvliegtuigen vanaf Twente in actie. 28 Fw 190’s stijgen op om luchtsteun te verlenen bij het Belgische Malmédy. Daarbij raakt Unteroffizier Lothar Mietling vermist na een luchtgevecht. In de dagen daarna verslechteren de weersomstandigheden waardoor I./JG 1 pas vanaf 23 december weer operaties kan uitvoeren. Eerste kerstdag boeken de eenheden van de Gruppe aanzienlijke successen met het neerhalen van zeven B-24 Liberators en een P-51 Mustang. Wel sneuvelt Leutnant Rudolph Schnappauf van de Geschwaderstab.

Zwarte dag

27 december is een zwarte dag voor I./JG 1. Vanuit het Duitse Lippspringe en Paderborn, die deze dag als Absprungplätze (tijdelijke uitvalsbases) dienen, leidt Gruppenkommandeur Hauptmann Hans Ehlers achttien Fw 190’s op een grondsteunmissie naar het gebied tussen de Belgische plaatsen Dinant en Rochefort. Bij het Duitse Mayen krijgen ze het aan de stok met een zwerm geallieerde Mustangs. Oberfähnrich Gerhard Stiemer ziet hoe een collega wordt getroffen: “(…) sah ich die Focke Wulf von Fw. Oswald rechts neben mir explodieren”. Hierna wordt Stiemer zelf meermaals getroffen. Hij weet met zijn toestel nog net een buiklanding te maken en verliest vervolgens het bewustzijn. Hij kan worden geholpen aan zijn verwondingen. Oswald en Stiemer zijn niet de enigen die aan het kortste eind trekken. Slechts drie van de achttien Focke Wulfs keren op 27 december veilig terug. Wel worden zes geallieerde Mustangs neergeschoten in de luchtgevechten.

Succesen tegen geallieerden

Tien Duitse vliegers raken vermist of verliezen het leven, onder wie de commandanten van de 2. en 4. Staffel en de commandant van I./JG 1, Hauptmann Hans Ehlers. Hij stort neer bij Berenborn in de Eifel. Ehlers, die sinds april 1944 de leiding heeft over de Gruppe, is een zeer ervaren jachtvlieger die zich gaandeweg heeft opgewerkt van soldaat tot officier-vlieger in de rang van Hauptmann (kapitein). Hij wordt in juni 1944 onderscheiden met het Ritterkreuz voor zijn successen bij de bestrijding van geallieerde bommenwerpers. Tot aan zijn dood zet hij ruim vijftig neergeschoten vliegtuigen op zijn naam. Zelf is hij sinds 1940 twaalf keer neergeschoten, maar komt er steeds zonder al te grote kleerscheuren van af. Hauptmann Georg Hackbarth volgt Ehlers op. De laatste dagen van 1944 wordt het zwaar getroffen I./JG 1 niet meer ingezet. Het is stilte voor de storm: op 1 januari vindt de grote Duitse luchtoperatie Bodenplatte plaats.