Tussen november 1944 en mei 1945 bracht Nederland 2.500 vrijwilligers over naar Camp Lejeune. Dit aantal kwam echter bij lange na niet in de buurt van de operationele eis van een zelfstandig opererende eenheid bestaande uit ongeveer 7.000 man waartoe Nederland zich in 1944 had verplicht. Op 15 augustus 1945 veranderde de situatie voor de Mariniersbrigade echter drastisch. Japan capituleerde. Het aandeel dat de brigade zou hebben in de strijd tegen Japan was nu achterhaald. 126 officieren en 4.345 onderofficieren en manschappen waren op dat moment in de Verenigde Staten of daar naartoe onderweg.

Vertrek uit de Verenigde Staten

Nu de oorlog was afgelopen, was het onduidelijk hoe lang de Amerikanen de opleiding van de Nederlandse mariniers in de Verenigde Staten nog zouden blijven ondersteunen. Zij hadden nu weinig belang bij deze investering in de Nederlandse mariniers. De training was voor een aantal manschappen nog niet afgerond. Nederland wilde daarom nog zo lang mogelijk gebruik blijven maken van de Amerikaanse faciliteiten om een goed opgeleide en bewapende brigade naar Indonesië te kunnen sturen voor ordehandhaving en het herstel van het Nederlandse gezag. Vanaf september werden geen nieuwe rekruten meer naar de VS verscheept. De Nederlanders verhuisden van het luxe Camp Lejeune naar het eenvoudigere Camp Davis. In rap tempo werden de opleiding en training afgerond. Het vertrek van de eenheid naar Indonesië stond gepland voor half november 1945. Het armlastige Nederland betaalde de Verenigde Staten uiteindelijk 14,5 miljoen dollar voor hun uitrusting en bewapening.

Naar Surabaya

Op 17 november 1945 voer het m.s. Noordam met commandant De Bruijne aan boord vanuit Norfolk (Virginia) met ongeveer tweeduizend mariniers naar Indonesië. Vrachtschepen met materieel volgden. Het m.s. Bloemfontein vertrok op 11 december met nog eens zo’n tweeduizend man. De politieke situatie in Indonesië was explosief na het uitroepen van de onafhankelijkheid op 17 augustus 1945. Het Britse gezag wilde provocaties tussen de Nederlanders en de Indonesiërs vermijden in Batavia/Djakarta. Bij aankomst van het m.s. Noordam op 30 december 1945 in Tanjung Priok (de haven van Batavia) mocht daarom maar één bataljon, 800 man, ontschepen. De overige 1.200 debarkeerden in Singapore en reisden van daar per trein en truck door naar de rubberonderneming Ladang Geddes in Malakka, waar een provisorisch kampement was ingericht. Ook de mariniers aan boord van het m.s. Bloemfontein kwamen hier terecht.

Beeld: NIMH

Ontscheping van een M4 Dozer (bulldozertank) vanaf Hr.Ms. L.S.T. Woendi bij Pasir Putih op Oost-Java tijdens de Eerste Politionele Actie, 21 juli 1947.

De A-Divisie

Pas begin maart 1946 kregen de circa 3.000 mariniers toestemming de haven van Surabaya binnen te varen. In april arriveerden aanvullingstroepen, de tankcompagnie, amphibietractorcompagnie en zware wapen compagnie. Samen met de oorlogsvrijwilligersbataljons van de Koninklijke Landmacht van de X-Brigade vormden de mariniers de A-Divisie. De Mariniersbrigade nam deel aan zogenoemde zuiveringsacties, bezettingsoperaties en amfibische landingen op Oost-Java en het noordelijk daarvan gelegen eiland Madura.

Reorganisatie

Begin 1948 was de brigade, vanwege de repatriëring van de oorlogsvrijwilligers met een kortverbandcontract, gereorganiseerd en tot twee derde van haar sterkte teruggebracht. Door personeelstekorten kon de Mariniersbrigade niet langer als zelfstandige eenheid opereren. Uiteindelijk viel het doek op 1 juni 1949. Met het vertrek van het laatste troepentransport naar Nederland in september van dat jaar was de opheffing van de brigade voltooid.