Het verloop van de missie van Tiger III was helaas geen uitzondering, maar eerder kenmerkend voor de Nederlandse inlichtingenoperaties tijdens de Pacific War. De ene na de andere party werd uitgezonden om – vaak voor langere tijd – in bezet gebied te verblijven, met opdrachten die, zeker gezien het gebrek aan inlichtingen over de situatie ter plaatse, veel te hoog gegrepen waren. Men ging er daarbij vanuit dat de lokale bevolking de geallieerde zaak actief zou steunen, wat een misvatting bleek te zijn. Daarnaast was er een tekort aan materieel en personeel om goede radioverbindingen te onderhouden. Naar eigen zeggen had Quéré tevergeefs gewaarschuwd voor de grote risico’s: “Ik moest de parties samenstellen en voelde mij verantwoordelijk voor hun veiligheid, wilde in elk geval een opdracht kunnen weigeren als die de veiligheid extra in gevaar bracht. (...) Mijn bezwaren werden terzijde geschoven.”

Ontevredenheid

In Nederlandse kringen bestond bovendien ontevredenheid over het feit dat het AIB ondanks alle goede bedoelingen in de praktijk toch een Brits orgaan was, dat weinig oog had voor specifiek Nederlandse belangen. Besprekingen tussen admiraal Helfrich, de geallieerde opperbevelhebber MacArthur, de Indische Commissie en functionarissen van de Nederlandse inlichtingendiensten leidden uiteindelijk tot het besluit dat het verkrijgen van ‘hot intelligence’ over Nederlands-Indië volledig in Nederlandse handen zou komen te liggen; weliswaar met behoud van de AIB-contacten en onder geallieerde leiding (van G2-SWPA). In april 1943 kwam het tot een grote reorganisatie van het Nederlandse inlichtingenwezen in Australië, waarbij de naam NEFIS eindelijk officieel werd aangenomen. Het was overigens wel de bedoeling dat de werkzaamheden van de NEFIS de geallieerde oorlogvoering zouden blijven dienen.

Beeld: NIMH

Een NEFIS-I-inlichtingenkaart met daarop onder andere geschutsopstellingen in Tandjung Priok, de haven van Jakarta (Batavia).

Drie divisies

De dienst ging nu uit drie divisies bestaan: de al bestaande divisies I en II en de nieuwe NEFIS III. NEFIS I hield zich bezig met het verzamelen van zoveel mogelijk algemene gegevens over Nederlands-Indië. Onder leiding van de latere legercommandant in Nederlands-Indië Simon Spoor bouwde zij een groot kaartenarchief op, verzamelde een groot aantal rapporten met militair-aardrijkskundige gegevens, legde een uitgebreide bibliotheek en een fotoarchief aan en droeg zorg voor een kaartsysteem met gegevens over personen in de archipel. NEFIS II legde zich toe op de interne veiligheid van de Nederlandse strijdkrachten in Australië, wat in de praktijk inhield dat ze de strijdkrachten moest behoeden voor mogelijke ‘lekken’ en onbetrouwbare elementen. NEFIS III ten slotte werd verantwoordelijk voor het sturen van agenten op geheime missies naar bezette gebieden, zoals de groep Poppy. Ook na de reorganisatie van de inlichtingenorganisatie bleef het moeilijk om inlichtingen-parties ter plaatse te krijgen en hen in bezet gebied te ondersteunen. De eerder al genoemde moeilijkheden, zoals het onderhouden van radioverbindingen, bleven immers bestaan. Bovendien ging ook NEFIS III er ten onrechte vanuit dat agenten steun van de Indonesische bevolking konden verwachten.

36 operaties

Gedurende de oorlog werden in totaal 36 Nederlandse inlichtingenoperaties uitgevoerd, waarbij 60 Nederlanders, 160 Indonesiërs, 5 Australiërs en 1 Deen betrokken waren. Er gingen twaalf parties naar Java, waaronder Tiger III en Poppy, drie naar de Aru Eilanden, twaalf naar Nieuw-Guinea, twee naar Sulawesi (Celebes), één naar Kalimantan en zeven naar de Molukken. Voor het afzetten van de inlichtingengroepen op het bezette grondgebied maakte de dienst gebruik van de onderzeeboten K.XII, O21, K.XIV en K.XV. In het begin en vooral voor de parties die naar Java gingen, was dit de enige (min of meer) veilige manier. Daarnaast werden ook prauwen en andere onopvallende bootjes ingezet, alsook (water)vliegtuigen. Hiertoe beschikten de diensten over een Dornier Do 24-vliegboot en sinds 1943 ook over twee Catalina-vliegboten.

Beeld: NIMH

Hr.Ms. onderzeeboot K.XII (1925-1944) in Melbourne tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Weinig succes

Helaas was Daniël Lapod niet de enige agent die bij de uitvoering van zijn missie het leven liet. De Nederlandse inlichtingenoperaties in de Pacific War kostten vele agenten het leven, terwijl het succes gering was. Alleen enkele geheime operaties van NEFIS III op Nieuw-Guinea, op de oostelijke eilanden van Indonesië en op Kalimantan waren succesvol. Op Sulawesi en Java kon in het geheel geen voet aan de grond worden gekregen en mislukten alle acties.

Gebrek aan ervaring

De vaak als naïef – om niet te zeggen onbezonnen – aan te duiden opzet van de eigenlijk al bij voorbaat tot mislukken gedoemde inlichtingenoperaties, sproot onder meer voort uit een gebrek aan ervaring met dit soort inlichtingenwerk. Toen in 1943 onder aanvoering van Spoor de werkwijze van NEFIS III ter discussie werd gesteld, wierp een criticus de vraag op of Nederland de grote verantwoordelijkheid van een eigen inlichtingendienst wel aankon: “We zijn volkomen amateurs op het gebied van geheime diensten”, concludeerde de (onbekende) auteur. Er was sprake van “gebrek aan voorbereiding, gebrek aan opleiding, aan ervaring, aan historie. En misschien zelfs gebrek aan aanleg”. Dat laatste punt is voer voor discussie, maar achteraf kunnen we in elk geval constateren dat de inlichtingenoperaties een gebrek aan lerend vermogen ten toon spreidden.