De groep zette de strijd voort onder leiding van de militie-sergeant Mauritz Christiaan Kokkelink. Hoewel zijn mensen op de rand van fysieke uitputting verkeerden, wisten zij de volgende maanden toch nog een aantal overvallen op de Japanners uit te voeren.
Op zoek naar de groep
Bij de Nederlanders in Australië deden al langer geruchten de ronde dat er nog steeds een verzetsgroep actief was op Papua. In september 1944 werd de NEFIS-party Radish erheen gestuurd om contact te leggen. De partyleden raakten echter gewond bij de landing, waardoor ze niet verder de dichte jungle in konden trekken naar de vermoedelijke verblijfsplaats van de groep Kokkelink. Ze gaven hun berichtenkoker door aan twee Papua-verkenners, die op zoek gingen naar de verzetsgroep. Op 22 september 1944 verschenen de twee Papua’s met de berichtenkoker bij Kokkelink. Uit de koker kwam een rood-wit-blauwe vlag tevoorschijn met de boodschap:
Wapenbroeders! Wij in Australië zijn vol bewondering voor uw prestaties. Ik heb opdracht u en de uwen zo spoedig mogelijk naar gastvrij Australië te evacueren. Luitenant ter zee 3e klas Abdoel Razak.
De guerrillastrijders wantrouwden het bericht aanvankelijk. Ze vonden de voor hen onbekende naam van de luitenant verdacht en begrepen bovendien niet wat een officier van de zeemacht in de weinig toegankelijke binnenlanden van Papua te zoeken had. Omdat alternatieven ontbraken, ging de guerrillagroep toch met de Papua’s mee om poolshoogte te nemen. Op 4 oktober 1944 ontmoetten zij de NEFIS-party Radish. Nog diezelfde maand werden Ayal en haar medestrijders overgebracht naar Australië.
De driekleur gaat mee
Tijdens de dertig maanden die ze deelnam aan de guerrillastrijd, droeg Ayal een Nederlandse vlag met haar mee, opgerold in een bamboekoker. De zeventien overlevenden borduurden hun naam op de vlag; de driekleur waarvoor ze hun leven hadden gewaagd en waarvoor hun vrienden waren gestorven. Ze stuurden deze op naar koningin Wilhelmina met de boodschap: “het detachement Manokwari heeft, zoals U begrepen heeft, zich nooit overgegeven.” Coosje Ayal ontving in 1945 een militaire onderscheiding uit handen van luitenant-gouverneur-generaal Van Mook. Een jaar later werd zij onderscheiden met het Kruis van Verdienste In 1972 en 1981 volgden het Verzetskruis en het Verzetsherdenkingskruis. De zeventien overlevenden van haar guerrillagroep zijn de geschiedenis ingegaan als de ‘Groep van 17’.
Beeld: Wikimedia Commons
Kenpeitai.
Een vergeefse inspanning?
De verzetsactiviteiten van de guerrillagroep van Ayal waren in militair-strategisch opzicht van geringe betekenis. Voor de naar schatting dertig Japanners die zij liquideerden, brachten zij grote offers: een minstens even groot aantal verzetsstrijders bezweek aan ziekte of uitputting, of werd gevangengenomen, gemarteld en vermoord. Dat de verzetsacties weinig opleverden was niet verrassend. De Japanners waren zeer ervaren in het opsporen en uitschakelen van tegenstanders. Vooral de Kenpeitai, de Japanse militaire politie, was berucht. De Kenpeitai maakte gebruik van de expertise en het netwerk van Indonesiërs van de Nederlands-Indische Politieke Inlichtingen Dienst (PID). Het was voor verzetsmensen door het wijdverbreide netwerk aan informanten in ieder geval op het dichtbevolkte Java vrijwel onmogelijk om in het geheim te opereren. De ondoordringbare jungle op Papua vormde daarop een uitzondering.
Een vijandige werkelijkheid
Nog belangrijker was dat de Japanners de (Indische) Nederlanders hadden geïnterneerd in Japanse kampen. De gehele koloniale bovenlaag bevond zich achter prikkeldraad. (Indisch-) Nederlandse verzetsstrijders zouden buiten de kampen onmiddellijk opvallen. Daarnaast werd de houding van de Indonesische bevolking verkeerd ingeschat. Evenals het NEFIS-personeel gingen de verzetshaarden er vanuit dat zij konden rekenen op steun van de Indonesische bevolking. Deze had echter –zo bleek al snel – de kant gekozen van de nieuwe heerser. Nog voor de guerrillastrijders gebruik konden maken van de aangelegde geheime wapen- en voedseldepots, waren deze al geplunderd. Ook werden verzetsstrijders op verschillende plaatsen in de archipel opgejaagd door de lokale bevolking, al dan niet in opdracht van de Japanners. Vooral in Aceh en in de Vogelkop van Nieuw-Guinea was dit het geval. In Aceh was er een golf van geweld tegen Nederlandsgezinde Indonesiërs. Zij werden gezien als collaborateurs van het oude koloniale regime.