In de jungle van Papua wist een guerrillagroep meer dan tweeënhalf jaar stand te houden. Papua was daarvoor uiterst geschikt – de jungle was er ondoordringbaar en er woonden relatief weinig mensen. De verzetsgroep bestond vooral uit militairen, maar er hadden zich ook enkele burgers bij aangesloten, onder wie de zestienjarige Costavina (Coosje) Ayal.
Met de guerrillastrijders het oerwoud in
Ayal was op 15 april 1926 geboren als vijfde kind van een timmermansgezin te Nusalaut op de Molukken. Vanaf haar zesde woonde ze in Manokwari (Papua) bij haar kinderloze oom en tante. Haar oom Seth Nahuwae was er bestuursambtenaar en had na de Japanse invasie van Java in maart 1942 opdracht gekregen om voorbereidingen te treffen voor een guerrillastrijd in het gebied rond Manokwari in de Vogelkop van Nieuw-Guinea. Hij zorgde ervoor dat geheime wapen-, munitie- en voedseldepots in de jungle werden aangelegd. Toen op 12 april 1942 Japanse schepen de Baai van Manokwari binnenliepen, trok zijn groep van 62 guerrillastrijders onder leiding van kapitein J.B.W. (Johannes) Geeroms het oerwoud in. Ook Ayal en haar oom en tante sloten zich aan bij de groep, die haar hoofkwartier vestigde in het dorp Wasiwara in de binnenlanden op zo’n 60 kilometer ten zuidwesten van Manokwari. Ayal droeg een soldatenuniform en leerde omgaan met een karabijn en handgranaten. Daarnaast kookte ze voor de mannen, repareerde ze hun kleren en verzorgde ze de gewonden.
Steeds verplaatsen
De eerste periode konden de strijders nog gebruikmaken van drie depots met levensmiddelen en munitie in de bergen. Midden november vielen de Japanners het bivak echter aan. De door verliezen uitgedunde groep trok door de bergen naar een gebied ten westen van Manokwari dat dichter bij de kust lag. Het duurde tot januari 1943 voordat ze de honderd kilometer lange tocht hadden volbracht. De groep bestond toen nog uit 42 mannen en vrouwen. Vanuit het nieuwe bivak werden continu patrouilles uitgezonden. Japanse posten aan de kust werden aangevallen waarbij soms kleding, wapens en munitie werden buitgemaakt. Omdat ze nu niet meer de beschikking hadden over eigen depots, kampten de guerrilla’s met een tekort aan voedsel en water. Zij werden daardoor vatbaar voor tropische ziekten. Ayal kreeg beriberi, malaria en dysenterie. Hierdoor vertraagde ze de groep sterk, terwijl ze zich – opgejaagd door de Japanners – continu moesten verplaatsen:
Op een gegeven moment – ik was toen echt al halfdood – kreeg ik een zwarte waas voor mijn ogen, en ik zei tegen mijn oom: ik geloof niet dat ik verder kan. Ik blijf maar hier. Dat bericht werd doorgegeven aan de kapitein, en mijn oom kreeg toen te horen dat ik niet levend mocht achterblijven. Dat was te gevaarlijk voor de rest. Mijn oom moest mij afmaken.
Uiteindelijk kon Ayal door haar oom worden overtuigd niet op te geven. Haar persoonlijke lijfspreuk bleef dan ook ‘doorzetten met vertrouwen’. Zeven andere guerrillastrijders kwamen wel om door ziekte en uitputting.
Beeld: NIMH
Groepsfoto in het Australische Camp Wacol van elf van de achttien guerrillastrijders van de groep Kokkelink, die op Papua strijd leverde. Van links naar rechts: Nahuwae, soldaat Sagrang, soldaat Soeha Soendan, soldaat Guus de Mey, sergeant M.Ch. Kokkelink, soldaat P. de Kock, Coosje Ayal-Nahuwae, fourier A.J.C. Beafort, soldaat R. Jaquard, soldaat L. Attinger en soldaat Sandiman.
De groep Kokkelink zet door
Eind 1943 splitste de guerrillagroep zich op om de kans te verkleinen dat ze door de Japanners gepakt werden. Toch wisten de Japanners één van de twee milities te vinden. Op 18 april 1944 kwam de groep van Ayal onder vuur te liggen:
Opeens hoorde ik schieten en schreeuwen. Ik zag nog hoe Willemsz Geeroms overeind kwam en zijn karabijn wilde pakken. Net voordat hij hem beet had, waren de Japanners bij hem. Toen zette ik het op een lopen. Rennen… vallen… opstaan… rennen… Ik was zo bang dat ik geen angst meer voelde. Na drie dagen kwam ik weer iemand tegen die ook had kunnen ontsnappen, en later ook mijn oom. Mijn tante en Willemsz Geeroms waren meegenomen, ze zouden later in Manokwari worden onthoofd.
Bij de aanval kwamen twaalf leden van de groep om het leven. Ayal wist als één van de weinigen te ontkomen. Samen met de lotgenoot die ze na drie dagen tegen het lijf liep, wist ze uiteindelijk de andere guerrillagroep te bereiken.