Voor het vernietigen van woongebieden bleken vuurstormen zeer effectief te zijn. Vooral als het ging om oude steden met dichte bebouwing, nauwe straten en vakwerkhuizen. Het was een van de redenen waarom relatief kleine plaatsen als Lübeck (maart 1942) en Rostock (april 1942) bezoek kregen van RAF Bomber Command. De eerstgenoemde stad was volgens de commandant van Bomber Command, Arthur Harris, “more like a fire-lighter than a human habitation”.
Uiteindelijk lukte het de RAF steeds ‘betere’ resultaten te bereiken waarbij door geconcentreerde bombardementen grote vuurhaarden ontstonden. In juli en augustus 1943 leidde dit tot de vernietiging van grote delen van Hamburg in de operatie die de passende naam ‘Gomorrah’ kreeg (naar het oudtestamentische verhaal van de vernietiging van de stad Gomorrah door een regen van zwavel en vuur). Na steden als Darmstadt en Braunschweig (1944) was in februari 1945 Dresden aan de beurt.
Beeld: Bundesarchiv/Wikicommons
Vuurstorm in Lübeck, maart 1942.
Hoe ontstaat een vuurstorm?
Door de extreem hoge temperatuur (zo’n 600 - 1000 graden Celsius) trekt het vuur de koudere lucht uit de omgeving aan. De hoge snelheid waarmee dit gebeurt, zorgt voor een tornado-effect: alles en iedereen in de directe omgeving wordt het vuur ingezogen. Daarmee voedt het vuur zich met brandstof en extra zuurstof, waardoor het hoger oplaait. Slachtoffers in Dresden stierven doordat ze door de wind het vuur in werden getrokken, doordat ze op de vlucht kwamen vast te zitten in smeltend asfalt, door vallend, brandend puin, maar vooral door zuurstofgebrek en koolmonoxidevergiftiging terwijl ze schuilden in de slecht-geïsoleerde schuilkelders.

