Het luchtalarm klinkt. Gerard Wubben, als Nederlandse krijgsgevangene tewerkgesteld in een hospitaal in Dresden, wordt weggeroepen van het spelletje kaarten dat hij die avond met zijn kameraden speelt. De gewonden moeten naar de schuilkelder worden gedragen. Wubben doet rustig wat hem wordt opgedragen. Luchtalarm is aan de orde van de dag. Tot nu toe bleek het altijd vals alarm. Nadat twee etages zijn ontruimd, kijkt Wubben even uit het raam. Wat hij dan ziet, doet de angst hem bekruipen, zoals hij later in zijn dagboek schrijft. Buiten is het een en al lichtkogels. Heel Dresden lijkt verlicht. Dit keer is het menens.

Bestemming Dresden

De 39-jarige Wubben, vader van vijf jonge kinderen, was in december 1944 vanuit het krijgsgevangenkamp Stalag IVb (Mühlberg) in Dresden aangekomen. Zoals veel krijgsgevangenen kwam hij er terecht om te werken. De stad maakte indruk: groot, druk, maar “geweldig mooi”. Twee maanden later, in de nacht van 13 op 14 februari 1945, was hij getuige van haar vernietiging. 

Beeld: Deutsche Fotothek/Wikicommons

Vooroorlogs Dresden.

Werken in het ziekenhuis

Het ziekenhuis waar Wubben werkte, was een noodhospitaal dat hoorde bij het St. Joseph Stift, Reservelazarett III. Het verzorgde zwaargewonde Wehrmacht-militairen die vanaf het Oostfront werden binnengebracht. Wubben assisteerde bij operaties die levens moesten redden, maar dat niet altijd konden. Het was fysiek en mentaal zwaar werk. Je moest er gehard in worden, schreef hij in zijn dagboek, maar dat viel niet mee. “Op kamer 12 lag er weer een op sterven, een uur later was hij dood. Ik kan het niet langer meer aanzien”, noteerde hij op maandag 12 februari. De volgende dag, dinsdag de 13e, was een ongewoon warme, bijna zomerse dag. Een welkome afwisseling na dagenlang grijs en regenachtig weer. Niet alleen de Dresdenaren genoten van de mooie dag. Ook de geallieerde meteorologen waren er content mee. Een verwachte opening in het wolkendek boven Dresden in de avond en nacht zou een grootschalig bombardement in twee aanvalsgolven mogelijk maken. Terwijl Wubben aan het eind van zijn werkdag naar de kapper toog om zijn haar te laten knippen, stegen in Groot-Brittannië de eerste Lancasters en Mosquitos op met bestemming Dresden.

Vuurstorm

De lichtkogels die Wubben vanuit het raam de stad zag verlichten, kondigden het eerste zware RAF-bombardement aan dat om 22.15 uur begon. De aanval richtte zich op de oude binnenstad, maar ook de aangrenzende wijk Johannstadt, waar Wubben zich bevond, werd zwaar getroffen. Omdat nog niet alle gewonden naar de kelder waren gebracht, moesten hij en zijn medegevangenen nog zoveel mogelijk patiënten naar beneden dragen. “Het regende bommen en brandbommen boven ons hoofd. Ieder ogenblik dacht ik dat het gebeuren zou en dat het gebouw in zou storten.” De bomexplosies rukten ramen en deuren uit hun sponningen. “Toen ik met een kameraad van mij de laatste gewonden uit kamer 10 weghaalde, vlogen de ramen over ons heen.” Het was te gevaarlijk geworden om meer patiënten te evacueren. In de kelder wachtten gewonden, personeel en krijgsgevangenen de aanval af. Na twintig minuten leek het bombardement voorbij. Samen met de anderen verliet Wubben de kelder om de schade op te nemen en te starten met opruimen. De brandbommen hadden hun werk gedaan. “Het regende vuur en alles stond in lichter laaie. Rondom ons gebouw brandde alles.” Het Lazarett was er relatief goed vanaf gekomen. Op de bovenste verdieping waren twee brandbommen gevallen, maar die konden naar buiten worden gegooid voor ze grote schade hadden aangericht. Het vuur in de omgeving was echter hevig. Zoals de geallieerden hadden gehoopt, had het bombardement vuurstormen opgewekt. “Wij zaten allen in angst dat wij nog door de vlammen om zouden komen”, schreef Wubben in zijn dagboek.

Beeld: NIMH/Erik van Oosten

Grote delen van de stad worden tijdens de bombardementen zwaar beschadigd, zo ook de wijk waar Gerard Wubben zit.

Voltreffers

Terwijl de blus- en opruimwerkzaamheden direct na het eerste bombardement op gang waren gekomen, volgde geheel onverwacht de tweede, nog zwaardere aanval om 1.30 uur. Voor Wubben was het deze keer nog heftiger. Het eerste bombardement had de binnenstad met zoveel succes in brand gezet, dat de aanvalsleider van de tweede golf besloot geen bommen te verspillen door ze op een al brandende wijk te gooien, maar het doelgebied uit te bereiden. Nu was Wubbens wijk Johannstadt aan de beurt. “Het hele gebouw stond te schudden, wat een paniek was dat. Bommen sloegen links en rechts van ons in andere gebouwen in. Overal voltreffers en nog eens voltreffers.” Weinigen kwamen hier levend uit. Veel mensen kwamen om in het vuur, stikten of stierven door koolmonoxidevergiftiging in de niet-geventileerde schuilkelders. “Overal lijken en nog eens lijken. Ik kon haast niet meer zien van de rook. Het regende de gehele nacht vuur.”

Meer bombardementen

De volgende dag volgde weer een bombardement, net als de dag erna. Wubbens op dinsdag nog zo keurig geknipte haar was een ragebol geworden: “half verbrand en vol roet”. De krijgsgevangenen die de aanvallen hadden overleefd, werden aan het werk gezet. Ze ruimden puin en haalden lichamen uit de schuilkelders en onder de brokstukken vandaan. Wubben haalde een vrouw en haar tweejarige dochtertje uit een brandend huis. Haar drie andere kinderen kon hij niet meer redden. “Ook hebben we verschillende lijken begraven; oude vrouwen, kinderen, mannen, enz., iets vreselijks.” Middenin de chaos, letterlijk tussen de doden, trok Wubben zijn conclusies: “Er zijn duizenden en nogmaals duizenden doden, het is een drama. Het is van de geallieerden een laffe aanval om een stad als Dresden, een Rode Kruis stad, totaal te verwoesten.”

Beeld: Deutsche Fotothek/Wikicommons

De verwoeste stad wordt op 6 november 1945 voor het eerst weer ’s nachts verlicht door de gerepareerde straatverlichting.

Eindelijk naar huis

De gewonden die overleefden, werden de volgende dagen naar andere stadsdelen gebracht. Steeds leger werd het Lazarett, en de leegte en verwoesting voedden Wubbens knagende verlangen naar huis. Begin maart werd ook hij uit Dresden weggehaald. Hij kwam in het dorpje Schkölen terecht. Van daar begonnen zijn laatste weken krijgsgevangenschap, zijn bevrijding en zijn lange reis naar huis. Op 9 mei sloot hij zijn gezin weer in de armen. De oorlog en het bombardement vergat hij nooit.