Behalve aanvallen op stedelijke gebieden staan ook herhaaldelijk aanvallen op olieraffinaderijen en spoorwegknooppunten op het programma. Een groot aantal van deze missies vindt overdag plaats, omdat de vliegende Luftwaffe nauwelijks nog een vuist kan maken. Bovendien beschikken de geallieerden inmiddels over escortejagers die de bommenwerpers de gehele route kunnen beschermen.
Baltische Zee
Slechts één keer ligt het doelwit na de missie naar Westkapelle niet in Duitsland. Op 19 december droppen vier bemanningen van het 90 Squadron, onder wie Jan en zijn crew, vanaf een hoogte van tienduizend voet (ruim drieduizend meter) een kleine twintig mijnen in de Baltische Zee ten oosten van Denemarken. Na de voltooiing van deze oorlogsvlucht landen de vier Lancasters op Lossiemouth in Schotland. Twee dagen later keren Jan en zijn bemanning terug naar de thuisbasis in Suffolk. De landing hier verloopt niet naar wens. Na twee vergeefse pogingen om de bommenwerper aan de grond te zetten, volgt een harde landing waarbij het rechteronderstel afbreekt. Jan en zijn crew komen met de schrik vrij.
Vermist
Om precies 16.14 uur op zaterdag 3 februari 1945 trekt Jan Buning, inmiddels een ervaren flight lieutenant, de Avro Lancaster Mk-i met het serienummer PA 158 en de codeletters WP-S van de startbaan van Tuddenham voor de 26e gevechtsmissie. Het te bombarderen doel is deze dag de benzol-fabriek van Hansa in Dortmund. Na de start wordt niets meer van de Nederlander en zijn bemanning vernomen. Zij keren op de verwachte tijd niet terug op Tuddenham en worden als vermist opgegeven. Als een bericht van het Rode Kruis uitblijft dat zij gevangen zijn genomen, gaan de Britse autoriteiten ervan uit dat Jan en zijn zes bemanningsleden zijn gesneuveld. Daarna blijft het geruime tijd stil.
Beeld: NIMH, collectie Nederlanders bij de RAF
Jan Buning (midden) met zijn bemanning voor hun Lancaster-bommenwerper.
Nog geen antwoord
In februari 1946 klimt collega en vriend Freddy Herckenrath in de pen en schrijft een brief naar het Air Ministry met de vraag of er inmiddels meer duidelijk is over het lot van Jan. Het Britse luchtvaartministerie moet op dat moment nog steeds het antwoord schuldig blijven. "In view of the lapse of time and absence of any news action has been taken to presume that he lost his life on 3rd February 1945". Meer kan de Britse ambtenaar op dat moment nog niet melden. Jans ouders, broer en zus, die allen de oorlog hadden overleefd, weten op dat moment inmiddels wel dat hun zoon en broer is vermist.
Aangevallen en ontploft
Pas begin 1947 komt meer aan het licht over de omstandigheden waaronder de crew de dood vindt. Onderzoekers van No. 4 Missing Research and Enquiry Unit (MREU) van de RAF achterhalen aan het begin van dat jaar dat de Lancaster in de avond van 3 februari vermoedelijk is aangevallen door een nachtjager en vervolgens omstreeks 20.10 uur aan de westkant van Mönchengladbach in de lucht is ontploft. Wrakdelen van de bommenwerper komen verspreid over een groot gebied neer. Een kleine twee weken later zijn de resten van de bemanningsleden begraven op de gemeentebegraafplaats van Mönchengladbach. De vier kruizen krijgen dezelfde inscriptie: 'Unbekannter Flieger * 1945'. Bij later onderzoek kan worden vastgesteld dat het de bemanning Buning betreft. Kort daarop krijgen de zeven een laatste rustplaats op de grote geallieerde begraafplaats van Rheinberg. Hier rusten zij nog steeds. Jan Buning is een van de bijna 235 Nederlandse oorlogsvliegers die tijdens de oorlogsjaren boven Europa omkomt in dienst van de Britse luchtstrijdkrachten.

