Omdat de kans groot is dat de Japanners hem zullen doden als ze hem te pakken krijgen, doet Lentz er alles aan om niet in hun handen te vallen. Dat lukt hem twee dagen. Dan wordt hij in een Birmees dorp gevangengenomen door de bewoners, die de Nederlander overdragen aan een Japanse patrouille.
Naar de stadsgevangenis
“Na geslagen te zijn en bestolen van geldgordel, horloge, ring etc. werd ik twaalf uur lang aan een boom vastgebonden in een tentenkamp waar de Jap. Soldaten mij naar hartenlust bespuwden aangezien ik weigerde meer dan de voorgeschreven inlichtingen te geven.” Johan wordt dan overgebracht naar de stadsgevangenis (New Law Courts Jail) van Rangoon waar hij de overige vijf bemanningsleden terugziet. Hoopvol dat ze het zullen overleven zijn ze echter niet. Ook hier is namelijk sprake van een zeer slechte behandeling. “Als enig overlevende officier werd ik vaak ondervraagd en mishandeld”, zo vertelt Lentz enkele jaren na de oorlog. “Ik werd gevangen gehouden tegenover de folterkamer hetwelk moest dienen om mij schrik aan te jagen en waar mij tevens verteld werd, dat ik onthoofd zou worden wegens ‘indiscriminate bombing’.”
Isolatiecel
Op 27 juli worden de zes bemanningsleden overgebracht naar de centrale gevangenis van Rangoon. Hier ligt het sterftecijfer hoog wegens de gebrekkige voedselvoorziening en de – zoals Lentz het omschrijft – “dierlijke behandeling”. Hij en de andere bemanningsleden komen terecht in Blok 5, waar zich de isolatiecellen bevinden. Lentz wordt er vastgehouden in een hok van anderhalve meter bij anderhalve meter en moet in zijn onderhoud voorzien door het naaien van jute zakken waarin de door honger en ziekte omgekomen medegevangenen worden begraven. Zijn ‘loon’ bestaat uit een kom rijst met heet water. In januari 1945 gaan de bemanningsleden over naar Blok 8 van dezelfde gevangenis.
Onmenselijke omstandigheden
Als gevolg van de onmenselijke omstandigheden overleven nog twee bemanningsleden de oorlog niet: de eerste boordtelegrafist-luchtschutter, warrant officer John Westermark, bezwijkt na een kleine tien maanden in gevangenschap, op 10 december 1944. De staartschutter, warrant officer Jack King blaast op 31 maart 1945 zijn laatste adem uit in de armen van een van de andere bemanningsleden. Hij sterft aan de gevolgen van beriberi. De andere vier - Lentz; de boordwerktuigkundige sergeant Norman Davis; de buikkoepelschutter, flight sergeant Jack Harris en de tweede boordtelegrafist-luchtschutter warrant officer Don Lomas – worden uiteindelijk na een hel die een jaar en drie maanden duurt, op 8 mei 1945 door Britse mariniers bevrijd. Ze zijn op dat moment ernstig verzwakt en lijden alle vier aan de gevolgen van malaria, beriberi, schurft en ernstige ondervoeding. Lentz weegt nog zo’n veertig kilo. De Nederlander en zijn kameraden ‘strompelen’ naar de haven waar zij worden opgenomen in een Brits hospitaalschip. Na een medische keuring en ontsmetting worden ze in bed gestopt en naar Calcutta vervoerd. Een maand na hun bevrijding worden ze terug naar Engeland gevlogen, waar zij op 15 juni arriveren. Voor hen is de oorlog dan definitief ten einde. Na te zijn hersteld pakt Lentz in oktober 1945 de draad weer op. Na de oorlog blijft hij het uniform trouw. Hij verlaat in 1969 als luitenant-kolonel de Koninklijke Luchtmacht met functioneel leeftijdsontslag. Lang kan hij niet genieten van zijn pensioen. Op 7 juli 1972 overlijdt hij aan de gevolgen van een ernstige ziekte.
Beeld: NIMH
De weer herstelde en aangesterkte Johan Lentz tussen twee collega’s tijdens een cursus op het vliegveld van South Cerny in november 1946.
Vaste waarde van het 159 Squadron
Hoe vergaat het ondertussen Felix Heijnert? In tegenstelling tot zijn maatje lukt het Felix wel om zonder voortijdig te worden neergeschoten de benodigde gevechtservaring op te doen. Vanaf maart 1944 gaat hij met een eigen bemanning bombardementsoperaties uitvoeren. Hij vliegt in totaal 33 oorlogsoperaties: 1 tijdens de opwerking naar operationeel vlieger bij 1584 Heavy Conversion Unit en 32 als vlieger van het 159 Squadron. Daarbij worden zowel mijnen gelegd als bommen afgeworpen. Hoewel overwegend ’s nachts wordt gevlogen, vindt een aantal operaties ook bij daglicht plaats waarbij gebruik wordt gemaakt van wolkendekking. Sommige van de vluchten zijn extreem lang, waarbij meer dan tweeduizend mijl wordt overbrugd naar het doelwit.
Britse dapperheidsonderscheiding
Soms gaat het maar net goed. Dat is onder meer het geval in de nacht van 1 op 2 april 1944 tijdens een aanval op Rangoon. Heijnert moet wegens de intense Japanse luchtafweer en omdat het doel slechts met moeite kan worden geïdentificeerd, tot vijf keer toe een bomb run uitvoeren. Tijdens de vijfde aanvalspoging wordt de Liberator gevangen door zoeklichten. Toch zet de Nederlander de aanval door en lost de bommen. Op vrijwel hetzelfde moment zetten Japanse vliegtuigen de aanval in. Het zorgt voor tien zeer spannende minuten waarbij de Nederlandse captain zijn toestel alle kanten op ‘gooit’ om treffers te voorkomen. Dat lukt grotendeels. Alleen bij de eerste vuurstoot raakt de staartschutter gewond door vijandelijk vuur. Uiteindelijk brengt Heijnert zijn vliegtuig veilig terug naar de thuisbasis Dhubalia. Deze straffe actie levert hem uiteindelijk een Britse dapperheidsonderscheiding op: het Distinguished Flying Cross. Naderhand krijgt hij – postuum – ook nog het Vliegerkruis.
Beeld: Wikimedia Commons
Een Liberator van het 159 Squadron wordt op vliegveld Salbani van brandstof en bommen voorzien, voorafgaand aan een nieuwe raid.
Verongelukt
Op 4 september 1944 vliegt Heijnert – die door zijn collega’s van het squadron liefkozend ‘Bunny’ wordt genoemd – de laatste bombardementsopdracht van zijn tour of operations. Na een korte rustperiode gaat hij aan de slag in een niet-gevechtsfunctie. Hij wordt aangesteld als instructeur bij de Air Fighting Training Unit op Amarda Road Airfield. Deze eenheid houdt zich bezig met het trainen van in Azië in zwang zijnde gevechtstactieken. Het lijkt er daarmee op dat Heijnert nog weinig risico’s loopt om iets te overkomen. Het mag niet zo zijn. In de morgen van 26 juli 1945 stijgen zes Liberators op om het formatievliegen te oefenen. Hoewel het slechts een trainingsvlucht betreft, gaat het toch gruwelijk mis. Op relatief lage hoogte komen twee van de Liberators met elkaar in aanraking en storten neer. De veertien inzittenden van de twee vliegtuigen hebben geen schijn van kans en komen allemaal om het leven. Een van hen is Felix. Omdat het incident plaatsvindt in het moessonseizoen kan de crashplaats van de vliegtuigen pas enkele weken later worden bereikt, waarbij de overblijfselen van de bemanningen in een veldgraf worden begraven. Rond dezelfde tijd ontvangen de nabestaanden, onder wie Patricia in Ealing het verschrikkelijke nieuws dat hun geliefde is omgekomen. Dat gebeurt zoals gewoonlijk door het versturen van een telegram. Patricia treft het voor haar bestemde exemplaar, zoals hiervoor geschetst, aan op de deurmat van haar ouderlijk huis in Ealing. “I suppose the boy who delivered it was aware of the contents and didn’t stop – I don’t blame him”, schrijft zij vele jaren later. Zelfs dan staat het afschuwelijke moment nog steeds haarscherp op haar netvlies: “So long ago and yet still so fresh in one’s memory it seems like yesterday.” In 1953 worden de twee bemanningen herbegraven op de oorlogsbegraafplaats van Madras aan de Indiase oostkust. Hier ligt hij tegenwoordig nog steeds met bijna 860 andere oorlogsslachtoffers.