De twee Nederlanders zijn in 1942 nog volop bezig met hun vliegopleiding. Hun achtergrond is overigens behoorlijk verschillend. De ‘roots’ van Heijnert liggen op Java. Hij wordt op 22 januari 1914 geboren in Batavia. Zijn vader is een succesvol ondernemer en (onder meer) mededirecteur van de N.V. Handel Maatschappij Eastern Import Association. Heijnert sr. doet veel zaken in Groot-Brittannië en rond 1920 emigreert het gezin naar dit land. En zo kan het gebeuren dat Felix in de zomer van 1940 wordt opgeroepen om als dienstplichtige bij de Nederlandse strijdkrachten in dienst te treden. Hij is op dat moment directeur van een voedselfabriek in Liverpool, maar heeft nog steeds de Nederlandse nationaliteit. Hij komt terecht bij het Nederlandse Legioen, het troepencontingent dat begin 1941 tot de Irenebrigade wordt omgevormd.

Carrière in dienst

Johannes Harmen Hendrik – roepnaam Johan – Lentz wordt op 19 maart 1916 in Den Helder geboren. Zijn vader is stoker bij de Koninklijke Marine. Net als hij kiest Johan na de afronding van de middelbare school en zijn dienstplichttijd bij de veldartillerie, voor een beroepscarrière bij de krijgsmacht. Begin oktober 1937 komt hij als wachtmeester in dienst bij de Koninklijke Marechaussee. Wanneer op 10 mei 1940 de oorlog in Nederland uitbreekt is hij in Zuid-Limburg gestationeerd. Via Noord-Brabant en België komt hij de volgende dagen in Zeeuws-Vlaanderen terecht. Lang duurt zijn verblijf hier niet. “Bij de capitulatie ben ik met troepen van verschillende nationaliteiten via Duinkerken, Quincamp en andere plaatsen naar Nantes vertrokken, waar ik nog een dag bewakingsdienst heb verricht”, zo schrijft Lentz naderhand. Vanuit Nantes trekt de marechaussee verder naar Brest waar hij aan boord gaat van het m.s. Prinses Beatrix. Met dit schip arriveert hij op 11 juni in Plymouth. Vanaf augustus 1940 maakt Johan daarbij deel uit van de Mobiele Afdeling Marechaussee. In februari 1941 gaat ook hij over naar de nieuw opgerichte Irenebrigade.

Beeld: NIMH

Johan Lentz vermoedelijk kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Oorlogsvliegers

Heijnert en Lentz hebben het hier niet naar hun zin. Zij verlangen naar een meer actieve deelname aan de oorlog en geven zich daarom op als vrijwilliger voor een vliegende functie in de Britse luchtstrijdkrachten. Hun verzoek wordt ingewilligd en in november 1941 worden zij toegelaten tot de Royal Air Force Volunteer Reserve (RAF VR). Wat volgt is een grondopleiding en korte vliegcursus om na te gaan of beiden over voldoende vliegaanleg beschikken. De eigenlijke vliegopleiding vindt in Canada plaats. In januari 1943 krijgen de twee op vliegveld Moose Jaw in Saskatchewan hun vliegbrevet uitgereikt. Gelijktijdig worden zij tot officier bevorderd. De maand daarop keren de twee pilot officiers (tweede luitenants) terug in Groot-Brittannië om verder tot gevechtsvlieger te worden klaargestoomd. Heijnert maakt ook van de gelegenheid gebruik om op 26 juni 1943 in het huwelijk te treden met zijn geliefde Patricia. Het trainingstraject van de twee verloopt verder geheel synchroon en eindigt in september 1943 bij No. 15 Operational Training Unit op het vliegveld Harwell. Bij deze trainingseenheid, die is uitgerust met de tweemotorige Wellington, voert Heijnert één bombardementsopdracht uit om gevechtservaring op te doen: in de nacht van 8 op 9 september 1943 bombardeert hij met 260 andere toestellen een langeafstandsbatterij bij het Franse Boulogne. Lentz beleeft op 21 september een ander ‘avontuur’. Gedurende een nachtelijke trainingsvlucht raakt de linkermotor in brand waarna hij samen met de gezagvoerder een geslaagde noodlanding maakt op vliegveld Little Rissington.

Tegen de ‘Rijzende Zon’

Tot hun grote verrassing worden Felix en Johan, die heel goed met elkaar overweg kunnen, na de afronding van hun gevechtstraining niet bij een eenheid in Engeland geplaatst. In plaats daarvan krijgen zij te horen dat zij naar India zullen gaan om te worden ingedeeld bij het 159 Squadron. In oktober vertrekken zij richting Azië. De reis gaat via Egypte en eindigt in eerste instantie bij 1584 Heavy Conversion Unit op vliegveld Salboni, ten westen van Calcutta. Hier worden de twee Nederlanders naar de viermotorige Consolidated B-24 Liberator III omgeschoold. Na zo’n zeventig vlieguren zijn ze gevechtsgereed en verhuizen ze – het is dan inmiddels januari 1944 – naar het amper twintig kilometer verderop gelegen vliegveld Digri, thuisbasis van het 159 Squadron.

Beeld: Wikimedia Commons

Een Liberator van het 159 Squadron op vliegveld Digri kort voor een bombardementsmissie. Johan Lentz en Felix Heijnert komen begin 1944 bij deze eenheid terecht.

Copiloten

Zoals gebruikelijk worden de twee Nederlanders, die nog als ‘operationele groentjes’ worden beschouwd, eerst als copiloot bij een bemanning met een ervaren eerste vlieger toegevoegd. Heijnert wordt gekoppeld aan squadron leader Gordon Clegg en diens bemanning, Lentz wordt de rechterhand van flight lieutenant Ed Stanley. Weldra staan de eerste gevechtsoperaties op de agenda. De doelen die worden aangevallen bestaan onder meer uit vliegvelden, munitiedepots, spoorwegstations, bruggen en verkeersknooppunten die zowel ’s nachts als overdag worden bestookt vanaf verschillende hoogtes. Ook trekken de Liberators eropuit om mijnen te leggen. De afstanden die worden afgelegd zijn enorm.

Lentz neergeschoten

De oorlogsloopbaan van pilot officer Lentz – die in het squadron wordt aangesproken als ‘Tommy’ en ‘Dutch’ - duurt goed en wel een maand. In de nacht van 29 februari op 1 maart 1944 staat voor een aantal bemanningen, onder wie de crew van de voormalige marechaussee, het spoorwegstation van Rangoon op de doelenlijst. Heijnert vliegt deze nacht niet. Acht Liberators bereiken in de pikdonkere nacht de Birmese hoofdstad. Hier gaat het echter flink mis. Kort nadat de bommenwerper van de Nederlander de bommen heeft gelost, spat een luchtdoelgranaat uiteen vlakbij het vliegtuig. De scherven doorzeven de linker binnenmotor en het bommenruim. Direct ontstaat er “een loeiende brand”. De kans is groot dat het vliegtuig zal ontploffen omdat zich in het bommenruim een benzinetank bevindt. Maar dat is nog niet alles. Vanaf het vliegveld van Legg (Hlegu), zo’n veertig kilometer ten noorden van Rangoon, zijn ondertussen twee Nakajima Ki 43 Hayabusha (Oscar)-jachtvliegtuigen opgestegen. De toestellen worden bestuurd door twee ervaren jachtvliegers van de 204e Hiko Sentai, eerste luitenant Hiroshi Takiguchi en adjudant Bunichi Yamaguchi. Zij bevinden zich boven Rangoon wanneer de aanval begint en duiken direct op de B-24’s wanneer deze gevangen worden door zoeklichten. Yamaguchi, een luchtaas die de oorlog met negentien overwinningen achter zijn naam zal overleven, weet in 1992 nog te vertellen hoe hij de aanval inzet. “De B-24’s vlogen, als ik me goed herinner, op een hoogte van zo’n 5.000 meter. Ik vloog achter de bommenwerpers en eerste-luitenant Takiguchi vloog weer achter mij zo’n 500 meter hoger. Wij vielen allebei de bommenwerper aan die op dit moment boven Rangoon verscheen. Het stortte brandend neer. Op ongeveer hetzelfde moment wisten zoeklichten een tweede bommenwerper te pakken die boven Rangoon verscheen. We voerden dezelfde tactiek nogmaals uit waarbij we van achteren en onderen aanvielen. (…) Deze tweede bommenwerper raakte in brand maar bleef nog doorvliegen tot een positie ten westen van het vliegveld waar het neerstortte.”

Beeld: Wikimedia Commons

Een Liberator van het 159 Squadron stijgt op van vliegveld Digri aan het begin van een nachtelijke missie.

Onder vuur

Twee bommenwerpers van het 159 Squadron worden dus boven Rangoon uit de lucht geschoten. Van één toestel – de Liberator met de naam Daring Diana en het serienummer BZ962 – sneuvelen alle negen bemanningsleden. Van het tweede toestel, de Liberator van Lentz met de naam Pegasus en het serienummer BZ926, overleven zes van de negen bemanningsleden het inferno. De drie anderen komen in het vliegtuig om. Het gaat hierbij om de captain, flight lieutenant Ed Stanley; de navigator-bommenrichter flight lieutenant Tom O’Donohue (een Australiër) en de rugkoepelschutter, sergeant Stan Chalcraft. De overige zes bemanningsleden, onder wie Johan Lentz, weten het hevig brandende vliegtuig tijdig met de parachute te verlaten. Het valscherm van de Nederlander gaat zonder problemen open, waarna Lentz langzaam richting aarde zweeft. Tijdens de daling wordt hij echter gevangen door een zoeklicht, waarna de Japanse jachtvliegtuigen de hulpeloze Nederlander onder vuur nemen. Om niet geraakt te worden trekt Lentz aan de draden van zijn parachute om zo de valsnelheid te vergroten en de richting te veranderen. Dit heeft echter tot gevolg dat het valscherm deels dichtklapt waardoor hij veel harder dan normaal op de grond terechtkomt. Wonderwel overleeft hij de klap; de schade blijft beperkt tot een dikke knie.