Midden november trekt de brigade naar Zeeland, dat de geallieerden kort daarvoor na felle gevechten grotendeels hebben bevrijd. Daardoor kunnen zij de haven van Antwerpen eindelijk gaan benutten. De Irenebrigade voert gedurende de winter bewakingstaken uit op Walcheren en Noord- en Zuid-Beveland, terwijl op Schouwen-Duiveland nog Duitse troepen zitten. Op eerste kerstdag boekt de IIe Gevechtsgroep een opmerkelijk succes door het uitschakelen van twee eenmansduikboten, onder meer met buitgemaakt Duits geschut. De commandant van de gevechtsgroep is “in extase”, schrijft Leendert. “Kapitein Arends droeg mij op de mariniers op die post op een hoeveelheid bier te trakteren. Toen ik bij de bunker aankwam waren [naar goed militair gebruik] reeds twee duikboten op de deur van de bunker geschilderd.”

Afscheid van de mariniers

Op 1 april 1945 verlaten de mariniers de brigade, aangezien deze met verse krachten vanuit bevrijd gebied kan worden aangevuld en de mariniers elders nodig zijn. Leendert krijgt nu de functie van administrateur en een bevordering tot opperwachtmeester. Omdat de gevechtsgroep grotendeels uit nog onervaren troepen bestaat, wordt deze tijdens de gevechten rond het Gelderse Hedel (eind april) in reserve gehouden. Tegen het eind van de oorlog raakt de brigade daar in de zwaarste gevechten in haar bestaan verwikkel ; niet minder dan twaalf man sneuvelen er. De IIe Gevechtsgroep springt bij waar mogelijk, zoals Leendert optekent: “Wij, te Vlijmen, volledig paraat, zorgden ervoor steeds op de hoogte te blijven en konden in dringende noden voorzien, door troepen, materiaal en munitie te zenden. Om de vermoeide strijders af te lossen en om de verliezen aan te vullen werden 2 pelotons naar Hedel gezonden.”

Beeld: NIMH, collectie Fotoafdrukken Koninklijke Landmacht

Lid van de Irenebrigade deelt voedsel uit tijdens de intocht in Den Haag op 8 mei 1945.

Keerzijde van de bevrijding

Na de Duitse capitulatie op 5 mei is de eer aan de Irenebrigade om als eerste geallieerd onderdeel Den Haag binnen te trekken. Dat gebeurt op 8 mei. Vreugde overheerst uiteraard, maar het ontgaat Leendert niet dat er ook een keerzijde is. “Toen we in het [door een geallieerd luchtbombardement op 3 maart 1945] zwaar geteisterde Bezuidenhout arriveerden en de colonne stilstond, kwam een dame naar mij toe en staarde mij verwezen aan. Geen woord kwam over haar lippen en het leek me, dat ze in doffe berusting was weggezonken. Ik verbrak de ‘stilte’ door te vragen: ‘En mevrouw bent U ook niet blij dat we zijn bevrijd?’ Zij antwoordde niet onmiddellijk maar na een ogenblik wees zij met een arm naar de puinhopen en zei toen met een toonloze stem: ‘Dat hebben jullie gedaan.’” Later die dag kan de brigade in elk geval iets doen voor de burgerbevolking door de eigen maaltijd met hen te delen.

Eindelijk thuis

Daarna wil Leendert – en met hem vele anderen – nog maar één ding: naar zijn gezin. “En zo is het geschied dat ik, na op 11 mei 1940 om 10.30 uit mijn standplaats Steenbergen te zijn vertrokken, op 11 mei 1945 om 11.30 uur, ergo na een afwezigheid van vijf jaar en één uur (!) te Papendrecht mijn vrouw en dochtertje van toen 4½ jaar, in mijn armen mocht sluiten. Een wel zeer dankbaar zien en weerzien, hetgeen zich moeilijk in woorden laat omschrijven, maar wel diep in het hart staat gegrift.” Leendert pakt de draad van vóór de oorlog weer op en keert terug bij de Koninklijke Marechaussee, die hij in 1968 als adjudant-onderofficier verlaat. De laatste jaren werkt hij bij de staf van het Wapen in Den Haag, waar hij ook is gaan wonen.

Om nooit te vergeten

Leenderts ervaringen in oorlogstijd hebben hem nooit losgelaten. Vanaf het begin in 1947 is hij bestuurslid (en later ook penningmeester) van de Vereniging van Oud-Strijders van de Koninklijke Nederlandse Brigade ‘Prinses Irene’. In 1975 is de naderende herdenking van 30 jaar bevrijding aanleiding zijn dagboekaantekeningen te bewerken tot een artikelenreeks in Ons Wapen, het tijdschrift van de Koninklijke Marechaussee. Na 42 afleveringen verschijnt het laatste deel daarvan in 1982. Deze artikelen vormen de basis voor een boek, dat in 1985 – ter gelegenheid van 40 jaar bevrijding – verschijnt onder de titel ‘Om nooit te vergeten. Authentieke schets van de voormalige Koninklijke Nederlandse Brigade ‘Prinses Irene’’. Twee jaar later, op 3 maart 1987, overlijdt Leendert van Vliet geheel onverwacht op 77-jarige leeftijd. De voorzitter van de Oud-Strijders, jonkheer Jan Beelaerts van Blokland, kenschetst hem in het verenigingsblad ‘De Vaandeldrager’ als “een trouw, beminnelijk en bescheiden mens”.