Op 10 mei 1940, de dag van de Duitse inval, dient de dertigjarige Leendert van Vliet bij de brigade Steenbergen (Noord-Brabant) van de Koninklijke Marechaussee. Hij is wachtmeester-titulair en net een jaar getrouwd – bij het militair politiekorps mag je pas trouwen als je het onderofficierstraject bent ingegaan. Zijn vrouw Grietje is in verwachting van hun eerste kind.

Opdracht

Leendert krijgt van zijn brigadecommandant die dag opdracht een kringleider van de NSB te arresteren en naar Beesd af te voeren. Het wordt een spannende tocht, waarbij onderweg meerdere keren dekking moet worden gezocht voor Duitse Stuka-duikbommenwerpers. De volgende ochtend komt het bericht dat de brigade naar Roosendaal moet vertrekken. Bepakt en bezakt stapt Leendert om half elf op de fiets – om exact vijf jaar (en één uur) later bij zijn gezin terug te keren. Wat hij in de tussentijd meemaakt, schrijft hij nauwkeurig op in een dagboek. Dankzij zijn “niet aflatende drang de ervaringen in woorden en gebaren van anderen als van mijzelf te willen vastleggen” krijgen we een uniek en persoonlijk beeld van de bijdrage van de Irenebrigade aan de bevrijding van Nederland.

Weg van huis

Leendert van Vliet is een van de 273 marechaussees van voornamelijk de 1e Divisie van de Koninklijke Marechaussee (Noord-Brabant en Zeeland) die in de meidagen hun standplaats moeten verlaten. Roosendaal blijkt slechts een tussenstop op een tocht die hen uiteindelijk, na een korte rustpauze in Normandië, in Engeland brengt. Nederland heeft intussen gecapituleerd. De nagenoeg volledige 1e Divisie van de Koninklijke Marechaussee is een van de belangrijkste bouwstenen waaruit in ballingschap de Koninklijke Nederlandse Brigade ‘Prinses Irene’ ontstaat. Daarbij zijn ook ruim honderd Politietroepers en kleine groepjes andere militairen die samen met Leendert en de zijnen de oversteek hebben gemaakt. Bij hen voegen zich Engelandvaarders die op eigen gelegenheid bezet Nederland zijn ontvlucht en Nederlandse ‘expats’ die vanuit alle windstreken zijn opgeroepen om dienst te nemen in de brigade. De Irenebrigade en vergelijkbare contingenten van andere kleinere landen hadden vooral een symbolische betekenis. Met hun bestaan demonstreerden deze landen dat zij een actief aandeel hadden in hun eigen bevrijding.

Beeld: NIMH, collectie Fotoafdrukken Koninklijke Landmacht

Mariniers werden ingedeeld bij de Irenebrigade.

Briefverkeer

Alle begin is moeilijk. Dat geldt zeker voor de Irenebrigade, waar de sfeer de eerste jaren veel te wensen overlaat. De wel zeer uiteenlopende samenstelling draagt daaraan bij. De ‘blauwen’ (marechaussees) zijn bijvoorbeeld niet bij alle militairen geliefd. Een negatieve invloed gaat ook uit van de langdurige onzekerheid over de toekomstige rol van de brigade. Onzekerheid heerst ook bij het thuisfront. Pas in de loop van augustus 1940 wordt duidelijk waar de spoorloos verdwenen marechaussees en andere militairen terecht zijn gekomen. Briefverkeer met bezet gebied is lastig en aan regels gebonden, maar niet onmogelijk. Mede dankzij zijn goede connecties slaagt Leendert erin een min of meer geregelde correspondentie met zijn familie te onderhouden. Een hoogtepunt is de geboorte van zijn dochter op 31 oktober, waarover hij op 22 januari 1941 via een collega wordt geïnformeerd. Een week later kan Leendert het blijde nieuws ook in een brief van zijn vrouw lezen, mét daarbij een foto van de pasgeborene. Groot is zijn verdriet als op 7 maart 1941 al zijn persoonlijke bezittingen verloren gaan wanneer het landhuis Ranton Abbey in Staffordshire, waar Leendert gelegerd is, afbrandt. Alle inmiddels uit Nederland ontvangen brieven, met daarbij de foto van zijn dochtertje, gaan in de vlammen op.

Buitenbeentje binnen de brigade

Aanvankelijk zijn de marechaussees grotendeels in een eigen compagnie ondergebracht, maar hieraan komt kort na de brand bij een van de vele reorganisaties een einde. De marechaussees raken over de brigade verspreid, waarbij Leendert in de staf van de IIe Gevechtsgroep wordt geplaatst als toegevoegd administrateur. Ondanks de intensieve werving blijft de Irenebrigade met maximaal zo’n 1300 man overigens altijd ver onder de vereiste sterkte. De Nederlandse legerleiding in Londen ziet zich daardoor gedwongen een groep van circa honderd mariniers naar de landmachteenheid over te plaatsen. Personeel van de IIe Gevechtsgroep wordt gebruikt om andere brigadeonderdelen op sterkte te brengen, waarna per 1 mei 1944 de mariniers in deze gevechtsgroep een plaats krijgen. De IIe Gevechtsgroep is daarmee een buitenbeentje binnen de brigade, maar Leendert beklaagt zich daar niet over (“koken dat ze kunnen”!).