Dat de brigade deel gaat uitmaken van de geallieerde invasiemacht is de meeste Irenemannen wel bekend, maar waar en wanneer die invasie gaat plaatsvinden, blijft uiteraard strikt geheim. D-Day (6 juni 1944) komt daardoor ook voor Leendert als een verrassing: “In de vroege morgenuren werd ook ik gewekt door het geluid van daverende vliegtuigmotoren en zeer heftig kanongebulder. Letterlijk iedereen was opgestaan en één van ons merkte laconiek op ‘Er schijnt iets aan de hand te zijn.’ Naar buiten kijkende zagen we, bij een half tot zwaar bewolkte lucht, honderden vliegtuigen, van zware bommenwerpers tot snelle jagers mét ontstoken boordlichten, in een eindeloze stroom in zuidoostelijke richting vliegen.” De invasie is begonnen. Bij de Irenebrigade, die zich op dat moment in Dovercourt (vlakbij Harwich) bevindt, heerst groot enthousiasme, maar ook ongeduld: wanneer mogen zij de oversteek naar Normandië maken? Voorlopig nog niet, want de brigade moet eerst een intensief oefenprogramma doorlopen. Nóg intensiever dan voorheen.
Gehavende kerk
Op 1 augustus komt eindelijk het verplaatsingsbevel. Terwijl af en toe V-1’s overkomen en vlakbij inslaan, schepen de verschillende onderdelen van de brigade zich in. De drie gevechtsgroepen gaan aan boord van LST (Landing Ship, Tank) nr. 416. Zij zijn het echter niet die als eerste voet aan wal zetten. Dat is nota bene de compagnie aanvullingstroepen die als reserve van de brigade fungeert. Deze eenheid landt al op 6 augustus, een dag later gevolgd door de gevechtsgroepen die om kwart voor acht ’s avonds in de Mulberry-haven bij Arromanches aanmeren. Na een kort verblijf in een transitkamp betrekt de brigade in de nacht van 8 op 9 augustus een bivak in een weiland bij Cresserons. Voor Leendert en vele anderen is dit geen onbekend terrein, want in deze omgeving hebben zij in juni 1940 ook al gebivakkeerd. Het oorlogsgeweld van de laatste weken heeft hier zijn sporen nagelaten: “Zag een ‘snipersnest’. Overal loopgraven. Overal lag Duitse ammunitie. Schier overal een troosteloze aanblik. Letterlijk alles is kapot geschoten. Het koren staat te rotten op het veld.” Niet alles is kapotgeschoten, want het kerkje waar in 1940 een opperwachtmeester van de Marechaussee een dienst had gehouden, staat er nog, al is het flink gehavend. Opnieuw wordt er een Nederlandse kerkdienst gehouden – en opnieuw zit Leendert in de kerkbanken.
De vuurdoop
Een paar dagen later, op 12 augustus, komt de brigade in de eerste lijn te liggen. Bij Château St. Côme worden stellingen “in het volle zicht van de vijand” betrokken. Leendert nestelt zich in een schuttersputje dat in een eerdere fase van de strijd door een Duitser is gegraven. “Voor mij zie ik ‘Niemandsland’ en ongeveer 700-1.000 M verder is de vijand. Onze mortieren gaan zich ‘inschieten’ en geven een moordend vuur af op de Duitse stellingen. Vanzelfsprekend wordt dit vuur beantwoord. De Duitse mortierbommen vallen in onze onmiddellijke nabijheid. (...) Deze eerste dag is het moeilijk eigen- en vijandelijk vuur te onderkennen; we moeten er nog aan wennen...” Mede door die onervarenheid vallen er bij de IIe Gevechtsgroep de volgende dag bij één mortieraanval maar liefst negen gewonden, onder wie de commandant, majoor F.J. Molenaar. Leendert blijft ongedeerd: “Zelf voelde ik ook de ‘windzuiging’ van een neerkomende granaat.” De second, kapitein der Mariniers Hendricus Arends, neemt het bevel over. Leendert tekent in zijn dagboek op dat de zwaargewonde majoor zijn plaatsvervanger toeroept: “Zorg goed voor de jongens.” Deze gebeurtenis maakt diepe indruk. “De verslagenheid onder het personeel over zoveel gewonden is groot. Is het wonder dat meerderen zich afvroegen: en wat zal ons geworden?”
Beeld: NIMH, collectie Fotoafdrukken Koninklijke Landmacht
De Koninklijke Nederlandse Brigade ‘Prinses Irene’ loopt op 27 augustus 1941 een defilé nadat koningin Wilhelmina het vaandel heeft uitgereikt. Links loopt de vaandelwacht met de kersverse vaandel.
Eerste gesneuvelde
De brigade wordt ook de volgende dag (14 augustus) op de proef gesteld. “Gedurende de gehele dag, hoewel bij tussenpozen, mortiervuur van de Duitsers. Gedurende het etenuitdelen [een taak die Leendert tijdens gevechten op zich neemt] zesmaal dekking moeten zoeken voor neerkomende granaten.” Die avond sneuvelt de eerste militair van de Irenebrigade. Pas op 17 augustus, nadat de Duitsers zich hebben teruggetrokken, komt er enige rust. Terwijl de rest van de brigade nieuwe taken krijgt en onder andere een aandeel heeft in de bevrijding van Pont Audemer, wordt de aangeslagen IIe Gevechtsgroep naar het relatief veilige Ouistreham gezonden. “Niets te doen”, vat Leendert het bondig samen. In de haven kan wel veel vis worden gevangen – een welkome afwisseling van het menu.
In de Lage Landen
Na lang wachten krijgt de IIe Gevechtsgroep op 27 augustus bevel zich weer bij de rest te voegen. De geallieerde invasiemacht heeft Normandië inmiddels ver achter zich gelaten en rukt in hoog tempo op. Dat Leendert af en toe moppert over het trage tempo waarin de brigade vooruitkomt, heeft dan ook niet te maken met vijandelijke weerstand, maar met verkeersopstoppingen aan geallieerde kant. “Soms ‘zaten’ we uren langs de weg. Werden als het ware van de weg gedrongen. Eindeloze colonnes geallieerde gemotoriseerde colonnes.” Zo passeert de brigade in de vroege ochtend van 6 september de Frans-Belgische grens, waarna haar in Brussel een groot onthaal door een uitzinnige menigte te wachten staat. “Kapitein Arends waagde het de auto uit te stappen en werd onmiddellijk omhelsd door een Belgische ‘schone’ die hem op beide wangen kust en terwijl de tranen over haar wangen rollen, zegt ze ontroerd: ‘Dank, dank dat jullie ons hebben verlost.’ (...) Ik bleef in de auto zitten, maar werd daardoor niet voor ‘zoenen’ gevrijwaard. Mijn hoofd werd eenvoudig ‘buiten boord’ getrokken en op deze wijze werden mijn wangen ‘bevochtigd’.”
Eindelijk in Nederland
Na de bevrijdingsroes in Brussel en andere Belgische steden komen Leendert en de zijnen opnieuw in de frontlijn. Vooral bij Beeringen aan het Albertkanaal, waar in de avond van 8 september de brigade stellingen betrekt, gaat het er heftig aan toe. Na een onrustige nacht volgt in de ochtend een Duitse aanval op het geallieerde bruggenhoofd. “De jongens waren de gehele nacht in touw geweest en hadden hun ‘ontbijt’ nog niet gehad. Kregen honger. Onmiddellijk fourageren en zo trok ik met een jeep met levensmiddelen naar de voorste stellingen. Rijden, lopen, dekken: kogels floten om de oren. Slechts één Peloton (...) kon ik niet bereiken. Het vuur van de Duitsers was té heftig.” Na deze actie komt de brigade weer even in de luwte, tot het begin van operatie Market Garden. De Irenebrigade behoort niet tot de grondtroepen die de verbinding moeten bewerkstelligen met de luchtlandingseenheden bij Eindhoven, Nijmegen en Arnhem, maar in hun kielzog trekt zij laat in de avond van 20 september over de grens met Nederland. “Voelen ons buitengewoon gelukkig en dankbaar in Nederland terug te zijn”, noteert Leendert. Via Eindhoven wordt de brigade naar Grave gedirigeerd, waar zij de bewaking van de Maasbrug overneemt. Er is de Duitsers namelijk veel aan gelegen deze en andere vitale bruggen te vernielen.
Beeld: NIMH, collectie Fotoafdrukken Koninklijke Landmacht
De Irenebrigade bewaakt de Maasbrug bij Grave.
Bevrijding van Tilburg
Na het definitief mislukken van Market Garden – Arnhem blijkt ‘een brug te ver’ – krijgt de Irenebrigade nieuwe opdrachten. Leenderts stille hoop om op zijn verjaardag (22 september) weer thuis te zijn, is “in rook vervlogen”. De brigade levert eind oktober een bijdrage aan de bevrijding van Tilburg, waarbij Leendert zijn vertrouwde rol op zich neemt om de troepen te bevoorraden. “Vanmorgen naar ‘voren’ geweest; met ‘vallen en opstaan’. Het was, om een bekend gezegde te citeren, of de ‘hel was losgebroken’. Heb nog niet zo’n concentratie van vuur meegemaakt. De Eng[else] tanks achter ons, braakten een verschrikkelijk vuur uit, natuurlijk beantwoord door de Duitsers. (...) Meldde mij bij Kapitein Arends, die met een grote baard (geen wonder) gebogen zat over een stafkaart, terwijl het huilen van de granaten maar doorging.” Leendert maakt deze tocht die dag drie keer, iets waartoe niet iedereen uit zichzelf bereid blijkt: “Had op het B-Echelon ‘moeilijkheden’ met de chauffeur over de vraag wie de tweede of derde keer moest rijden, want ‘ik ben al een keer geweest’ luidde het antwoord...” Als onderofficier van de Marechaussee heeft Leendert geen moeite de chauffeur op zijn plek te zetten.
Geduld oefenen
Naarmate steeds meer delen van het zuiden van Nederland worden bevrijd, kunnen veel voormalige marechaussees binnen de brigade hun gezin opzoeken. Voor Leendert geldt dat echter niet. Grietje is namelijk verhuisd naar het net boven de grote rivieren gelegen Papendrecht, waar zij vandaan komt. Leendert heeft haar daar leren kennen als hij aan het begin van zijn loopbaan bij de marechausseebrigade Papendrecht is ingedeeld; haar vader is een van de twee gemeenteveldwachters van het dijkdorp. Hij moet dus nog geduld oefenen voor hij zich met zijn gezin kon herenigen.