Voor mei 1940 wordt in regeringskringen in Londen amper serieus rekening gehouden met de mogelijkheid dat Duitsland het Franse leger alsmede de British Expeditionary Force binnen zo’n korte tijd op het Europese vasteland verslaat. Het gevolg is dat de Britse autoriteiten totaal onvoorbereid zijn op de komst van tienduizenden buitenlandse militairen en burgers die in mei en in juni 1940 in het kielzog van hun eigen regering naar Groot-Brittannië uitwijken. Toch is hun komst in militair opzicht meer dan welkom: Groot-Brittannië bevindt zich na het echec van Duinkerken in een geheel geïsoleerde positie en staat nagenoeg alleen in de strijd tegen Nazi-Duitsland.
Beeld: NIMH, Collectie Fotoafdrukken Koninklijke Marine
De evacuatie van Britse en Franse troepen uit Duinkerken, eind mei en begin juni 1940.
Een 'vijfde' colonne?
In eerste instantie koesteren de Britten nog wel het nodige wantrouwen jegens de buitenlanders. Vanaf medio 1939 waart er in het land namelijk de angst rond voor een zogenaamde ‘vijfde colonne’. Veel politici, militairen en burgers zijn ervan overtuigd dat Nazi-sympathisanten voorbereidingen treffen om de helpende hand toe te steken bij een Duitse invasie in Groot-Brittannië. Deze pro-Duitse elementen zoekt men vooral onder buitenlandse burgers en militairen. Als gevolg van de snelle overrompeling van West-Europa zijn militairen uit deze landen per definitie verdacht.
Churchill herstelt het vertrouwen
Het is vooral premier Winston Churchill die de wijdverspreide xenofobie voor buitenlanders bij zijn burgers en regering grotendeels weet weg te nemen. Als een van de weinigen realiseert hij zich op dat moment dat het Verenigd Koninkrijk – wil het kans maken om Duitsland te weerstaan – zowel in militair als in publicitair opzicht bondgenoten goed kan gebruiken. Een ‘verenigd front der naties’ biedt volgens Churchill de beste kans op succes en overleving. Het is volgens hem noodzakelijk, zo laat hij begin juli 1940 zijn militaire leiding weten: “to give to the war which Great Britain is waging single-handed the broad, international character which will add greatly to our strength and prestige.” De boodschap van een geallieerd front der naties is vooral gericht aan het adres van de zich vooralsnog van de oorlog afzijdig houdende Verenigde Staten, waar vele duizenden immigranten van onder meer Poolse, Noorse en Nederlandse afkomst wonen. Met heldenverhalen van hun landgenoten hoopt hij de publieke opinie te kunnen bewerken om de Verenigde Staten ertoe te bewegen deel te nemen aan de oorlog. Door het gebruik van dit politieke motief geldt de Britse premier als de motor achter de integratie van buitenlandse soldaten, vliegers en zeelui in de Britse strijdkrachten.
Beeld: NIMH, Collectie Losse Fotografische Objecten
De Britse premier Winston Churchill, aan het hoofd van de tafel, in gesprek met militaire stafleden.
Reorganiseren
Al het initiële wantrouwen ten spijt, begint vanaf juni 1940 de training en hergroepering van de buitenlandse troepen in Groot-Brittannië. Een van de eerste stappen die daarvoor dient te worden ondernomen, is de legalisatie van buitenlandse troepen op Brits grondgebied. Op basis van een bestaande wet, de uit 1933 stammende Visiting Forces Act, bereidt het Foreign Office in de zomer van 1940 in korte tijd de Allied Forces Act voor. Daarin is onder meer vastgelegd dat de regeringen in ballingschap de verantwoordelijkheid dragen voor de eigen troepen. De Britse regering kan zich uitstekend vinden in de nieuwe wet: de bestuurlijke en administratieve aansturing blijft de verantwoordelijkheid van de bezoekende naties, terwijl wel wordt geprofiteerd van de voordelen van de aanwezigheid van buitenlandse contingenten in Groot-Brittannië. Die ‘geneugten’ bestaan uit extra gevechtskracht en positieve publiciteit voor de geallieerde zaak.
Beeld: NIMH
Een groep Tsjechische vliegers in dienst van de Royal Air Force verwelkomt sergeant Alois Dvořák op vliegveld Duxford. De militairen maken deel uit van 310 Squadron.
Een mogelijke zelfstandige status
Binnen het Britse defensieapparaat is echter niet ieder krijgsmachtdeel ervan overtuigd dat de assimilatie van buitenlandse troepen in hun eigen gelederen louter voordelen met zich meebrengt. In tegenstelling tot de Admiralty en het War Office, ziet het Air Ministry aanvankelijk weinig in de inkapseling van buitenlands personeel in de RAF. Vooral de bepaling dat de militairen tot de eigen nationale jurisdictie behoren, valt op het Air Ministry niet in goede aarde. Naar de mening van de Britse luchtvaartautoriteiten dienen alle militairen in de RAF, ook de buitenlandse, te vallen onder de Air Force Law. Deze is over het algemeen minder streng dan de wetgeving van de meeste Europese landen die in de RAF zijn vertegenwoordigd. Het aandringen om ook het buitenlandse luchtvaartpersoneel onder de eigen wetgeving te laten ressorteren, is ingegeven door de vrees van het Air Ministry voor een situatie waarin regeringen in ballingschap gaan streven naar een eigen zelfstandige luchtmacht naast die van de RAF. Een coalitiestrijdmacht bestaande uit zelfstandige nationale luchtmachten is immers veel minder strijdvaardig en flexibel. Deze vrees is echter grotendeels ongegrond. Geen van de regeringen in ballingschap – ook die van Polen en Frankrijk niet – is uit op de oprichting van een nationaal, zelfstandig opererend luchtwapen en de buitenlandse vertegenwoordigingen hebben evenmin moeite hun eigen mensen onder Britse (en later Brits-Amerikaanse) operationele leiding te plaatsen.
Veel aandacht voor het luchtwapen
Het zijn voornamelijk redenen van politieke en propagandistische aard waarom de regeringen in ballingschap ook in Groot-Brittannië over een eigen luchtwapen wensen te beschikken. In tegenstelling tot de land- en zeestrijdkrachten komen de luchtstrijdkrachten na het uitbreken van de oorlog vrijwel dagelijks in actie. Dit genereert veel media-aandacht. Het zijn in eerste instantie vooral oorlogsvliegers die dagelijks de kranten halen, voor de radio van de BBC hun verhaal mogen doen en in de bioscopen in de newsreels een hoofdrol vertolken. Door actieve deelname aan de luchtoorlog met een eigen, voor de buitenwereld herkenbaar luchtwapen kan derhalve de positie van de regeringen in de internationale politieke arena worden versterkt. Tevens kunnen de uitgeweken landsbesturen hun niet al te hoge zelfvertrouwen ermee opvijzelen. Met een eigen duidelijk herkenbare deelname aan de geallieerde luchtmacht creëren zij het gevoel dat hun landen een actieve bijdrage leveren aan de oorlogsinspanning. Dat is vooral ook om propagandistische redenen interessant. Het kan verzet in het thuisland tegen de Duitse bezetter aanwakkeren en de werving van nieuw personeel in de vrije wereld vergemakkelijken.
Beeld: NIMH, Collectie Nederlanders bij de RAF
Personeel van 320 (Dutch) Squadron in Dunsfold (Engeland) in 1944. In de cockpit zit vlieger Koenraad Vos met hondje Skip. Beneden staan, van links naar rechts: boordschutter Gilles Almekinders, waarnemer Joannes de Groot en vliegtuigtelegrafist Johan Fransen.
Britten houden de touwtjes in handen
Het Britse beleid ten aanzien van de buitenlandse luchtstrijdkrachten verschilt uiteindelijk van land tot land. Hoewel de culturele achtergrond en samenstelling van de verschillende contingenten een rol speelt, zijn daarnaast in sommige gevallen ook de financiële positie en de macht van het getal van belang. Van een consistent beleid kan daardoor geen sprake zijn. Zo verkrijgt het Noorse luchtwapen een geheel zelfstandige status. De twee grootste contingenten in de RAF, die van de Polen en de Fransen, weten uiteindelijk eveneens een zekere mate van autonomie te bewerkstelligen. De Tsjecho-Slowaakse en Belgische luchtstrijdkrachten krijgen nimmer dit privilege toebedeeld. Het Nederlandse luchtwapen verwerft voor een deel een zelfstandige positie. Het luchtvaartpersoneel van het kleine Nederlandse contingent in Groot-Brittannië – uiteindelijk ongeveer 1.000 man sterk – is afkomstig van twee aparte vliegdiensten: de Marineluchtvaart Dienst (MLD) van de Koninklijke Marine en het Wapen der Militaire Luchtvaart (ML) van de Koninklijke Landmacht. Alleen het luchtwapen van de marine blijft een min of meer onafhankelijke status houden. Het ML-detachement wordt in de zomer van 1940 grotendeels overgeheveld naar de MLD en houdt de facto op te bestaan. Pas als in 1943 weer een ML-eenheid wordt opgericht – 322 Squadron – komt die in zijn geheel onder het commando van de RAF te staan. De zelfstandigheid betreft hier alleen de controle over het administratieve en het bestuurlijke beheer van de buitenlandse squadrons. Op operationeel vlak behouden de Britten de gehele oorlog de touwtjes in eigen handen.
Beeld: NIMH, Collectie Fotoafdrukken Koninklijke Luchtmacht
Een onmisbare schakel: technisch personeel van het 322 Squadron, met Nederlandse en Britse militairen.
In actie
De inkapseling van het buitenlandse personeel in de RAF stuit niet alleen op problemen vanwege hun juridische status en de Britse vrees dat de buitenlandse detachementen een zelfstandige positie binnen de geallieerde luchtstrijdkrachten zouden opeisen. Op operationeel niveau koesteren de leidinggevende officieren tot de zomer van 1940 behoorlijke schroom om buitenlandse militairen in te delen in frontlijneenheden van de RAF. Het gezegde ‘onbekend maakt onbemind’ is onverkort van toepassing op het buitenlandse luchtvaartpersoneel in deze periode. Mogelijk door negatieve Franse berichtgeving over hun optreden in Frankrijk tijdens de Phoney War, staat onder andere de commandant van Fighter Command, Air Chief Marshal sir Hugh Dowding, zeer gereserveerd tegenover wat hij noemt "the infiltration of foreign pilots into British squadrons". Dowding is bevreesd voor de aantasting van het hoge moreel van de Britse jachtvliegers en heeft eveneens twijfels over de vakkundigheid van de buitenlandse vliegers. Vooral in Tsjechen en Polen, die cultureel en maatschappelijk het minst gemeen hebben met de Britse leefwijze, heeft hij weinig fiducie. Ook hun gebrek aan kennis van de Engelse taal merkt hij als een bezwaar aan.
Beeld: NIMH, Collectie Nederlanders bij de RAF
Op 18 april 1944 brengt de Amerikaanse generaal Dwight D. Eisenhower een bezoek aan No. 139 Wing en daarmee aan 320 squadron op het RAF-station Dunsfold. Verschillende vliegtuigen van 320 Squadron worden – zoals vaak gebruikelijk bij Britse en Amerikaanse eenheden – van nose art voorzien. Onder meer de in Engeland voor zijn dienstplicht opgeroepen vliegtuigmaker Pieter Brand voorziet de toestellen van ware kunstwerkjes. Deze B-25 Mitchell is beschilderd met een Nederlandse vissersvrouw met een bom in haar armen en enkele andere exemplaren in de mand met daaronder de kreet ‘Hollandsche Nieuwe!’.
Tekort aan ervaring
Het zijn uiteindelijk vooral praktische redenen – en niet een gevoel van geallieerde solidariteit – die de luchtmachtleiding overstag doen gaan. Vanwege een groot tekort aan ervaren vliegend personeel neemt de RAF in de zomer van 1940 alsnog grote aantallen buitenlanders in de eigen gelederen op. De twijfels van de leiding van de Britse luchtmacht worden spoedig voor een belangrijk deel weggenomen als tijdens de Slag om Engeland in augustus en september 1940 juist de Poolse en Tsjechische jachtvliegers een hoofdrol spelen bij de verdediging van het Britse moederland. Van de bijna 3.000 jachtvliegers die tussen 10 juli en 31 oktober een of meerdere oorlogsmissies vliegen, zijn er een kleine 600 – bijna twintig procent van het totaal – van buitenlandse afkomst. Polen levert met 145 militairen de grootste bijdrage aan de Battle, gevolgd door Nieuw-Zeeland (126), Canada (98), Tsjecho-Slowakije (87), Australië (29) en België (29). Omdat het MLD-detachement is ingedeeld bij Coastal Command en enkel boven zee patrouillevluchten uitvoert, zijn er geen Nederlandse jachtvliegers actief tijdens de luchtslag. Het voert misschien te ver om te concluderen dat de inzet van buitenlandse vliegers in de Battle of Britain van doorslaggevende invloed is, maar dat buitenlanders een zeer belangrijke bijdrage leveren aan het standhouden tijdens de luchtstrijd boven Zuid-Engeland, valt niet te betwisten.
Beeld: NIMH, Collectie Fotoafdrukken Koninklijke Luchtmacht
Een De Havilland Mosquito bommenwerper van 105 Squadron boven Engeland.
In de tienduizenden
Vanaf dat moment is de ban gebroken en staat de opname van buitenlandse militairen in de RAF niet meer echt ter discussie. Eind december 1940 telt de Britse luchtmacht al meer dan 10.000 militairen uit de bezette Europese landen. In de volgende jaren groeien de buitenlandse contingenten stapsgewijs. In 1944 schommelt het aantal Europeanen in de Britse luchtmacht rond de 28.500.
