Bij de voorbereiding van de landingen in 1944 in Normandië bezorgt de logistieke ondersteuning van de troepen de Geallieerden veel hoofdbrekens. Alleen al op de invasiedag, 6 juni, moeten vijf divisies aan land worden gezet. Vijf dagen later dient dit aantal te zijn verdubbeld. Het ondersteunen en onderhouden van deze strijdmacht vergt duizenden tonnen munitie, brandstof, goederen en rollend materieel. In de eerste week na de landing dient dagelijks 8.000 tot 12.000 ton te worden aangevoerd. Het geallieerde opperbevel vreest dat onvoldoende materiaal via de stranden zelf aan land kan worden gezet. Hierbij ontbreekt het in de landingszones aan behoorlijke havens. De verovering van de grote Franse Kanaalhavens heeft daarom absolute prioriteit.
De Duitse legerleiding is zich er evenzeer van bewust dat het bezit van de Franse havens noodzakelijk is om een geallieerde invasie te doen slagen. Havensteden als Brest, Cherbourg, Le Havre, Boulogne en Duinkerken hebben daarom de status van Festung en zijn veranderd in zwaar gefortificeerde steunpunten in de Atlantikwall. Het geallieerde opperbevel gaat er vanuit dat de verovering van deze zeehavens gepaard gaat met langdurige en zware gevechten, en dat ze pas na uitgebreide herstelwerkzaamheden in gebruik kunnen worden genomen. De duizenden tonnen aan materieel en goederen moeten daarom op een andere manier aan land komen. De aanleg van kunstmatige havens en veilige ankerplaatsen lijkt de oplossing te zijn voor dit logistieke vraagstuk.