“Gott im Himmel, die Kommandos!!!” zouden de Duitse soldaten op Walcheren hebben uitgeroepen toen zij op 1 november 1944 merkten dat zij werden aangevallen door commando’s. Onder die gevreesde elitesoldaten bevonden zich ook de Nederlandse groene baretten van No.2 (Dutch) Troop. Deze commando-eenheid was in juni 1942 opgericht om de Britse commando’s te ondersteunen. Twee jaar lang trainde de Troop op de uitvoering van speciale operaties en amfibische aanvallen. Reikhalzend keken de mannen uit naar het moment dat ze mochten deelnemen aan de strijd. In het najaar van 1944 was het dan eindelijk zo ver: de commando’s werden ingezet voor de bevrijding van Nederland.

Op de vroege ochtend van 1 november 1944 naderden enkele tientallen geallieerde landingsvaartuigen de kuststrook van Vlissingen. De Duitsers hadden het kustgebied rond Vlissingen omgebouwd tot een ware vesting. De landingsstranden lagen vol versperringen en mijnen en ondanks de geallieerde beschietingen en luchtbombardementen was de Duitse verdediging nog volledig intact. De landingsschepen bleven niet lang onopgemerkt. Tegen de achtergrond van het brandende stadsfront van Vlissingen, waar de geallieerden vanuit Breskens hun artillerievuur op richtten, voer de Nederlandse korporaal L. Persoon de vuurlinie in. Het was het angstigste moment uit zijn leven: “ ’s Nachts in die landingsboot heb ik als korporaal voor het eerst in mijn leven met gevouwen handen God aangeroepen. We dreven op het water, maar boven ons was ook een zee: van vuur. Het was een inferno…”

Beeld: NIMH

Nederlandse commando’s (met v.l.n.r. L. Persoon, W.S. van Gelderen, C.A. van de Gender, J.C. van Woerden, D. van der Wal, C. de Ruiter en H.W. van der Steen) poseren in november 1944 in Vlissingen met een buitgemaakte Duitse marine-vlag.

Elite-eenheid

Korporaal Persoon was een van de Nederlandse commando’s van No.2 (Dutch) Troop. Toen begin 1942 werd besloten om de beruchte Britse commando-opleiding open te stellen voor buitenlandse militairen, meldden 48 vrijwilligers van de Prinses Irene Brigade zich aan bij de elite-eenheid. Het ging om mannen met de Nederlandse nationaliteit die zich van over de hele wereld in Groot-Brittannië hadden gemeld voor de dienstplicht. Sommigen van hen hadden nog nooit voet gezet op Nederlandse bodem, maar één ding had het gemêleerde gezelschap gemeen: ze waren het zat om te wachten op een aanval op Nazi-Duitsland en hoopten als commando snel inzet te zien.

Zware opleiding

Na een kort voortraject volgde de gevreesde commando-opleiding aan het Commando Basic Training Centre (CBTC) in Achnacarry, waarover luitenant-kolonel C.E. Vaughan de scepter zwaaide.  25 Nederlandse militairen wisten deze helse uitputtingsslag met goed gevolg af te ronden. Zij kregen in juni 1942 van overste Vaughan hoogstpersoonlijk het commandobrevet uitgereikt. De groene baret zou overigens pas in oktober 1942 volgen, toen het Britse Ministerie van Oorlog een “distinctive form of head-dress” invoerde voor de commando-eenheden. De 25 Nederlandse commando’s werden ingedeeld bij de nieuw opgerichte No.2 (Dutch) Troop, een onderdeel van No.10 (Inter-Allied) Commando. Kapitein P.J. Mulders werd benoemd als de eerste commandant van de Troop. In de tweede helft van 1942 raakte de eenheid op oorlogssterkte nadat nog eens 45 Nederlandse militairen voor de commando-opleiding slaagden. Op de thuisbasis van No.2 (Dutch) Troop, Port Madoc in Wales, volgde een uitgebreid oefenprogramma.

Beeld: NIMH

De minister van Oorlog in ballingschap O.C.A. jonkheer van Lidth de Jeude brengt in maart 1943 een bezoek aan de commando’s van No. 2 (Dutch) Troop in het opleidingskamp Port Madoc in Wales.

Raids

De nadruk lag daarbij op de beoefening van zogenoemde raids, amfibische operaties op de vijandelijke kust. Ook het trainen van straatgevechten kreeg ruime aandacht. Het was de bedoeling dat de Nederlandse commando’s voornamelijk zouden gaan ondersteunen bij raids op de Nederlandse en Belgische kust, waar zij het voordeel hadden van terreinkennis en ze de taal machtig waren. Na maandenlang oefenen volgde in mei 1943 een verhuizing naar Eastbourne in Zuidoost-Engeland. Ook hier doorliep de Troop een intensief oefenprogramma, waarbij het zwaartepunt lag op klimmen en afdalen en het voeren van bosgevechten.

Lang wachten

De Nederlandse commando’s raakten langzamerhand ongeduldig. Na een voorbereiding van meer dan een jaar zag het er in het najaar van 1943 nog steeds niet naar uit dat ze binnen afzienbare tijd bij een raid zouden worden ingezet. Om de elitetroepen tegemoet te komen, werden de Nederlandse commando’s in december 1943 naar India gestuurd. Daar bereidde het Britse South East Asia Command (SEAC) acties voor op Sumatra. De acht maanden durende detachering in Azië liep uit op een deceptie. Slechts vijf commando’s kwamen daadwerkelijk in actie. Zij vochten daarbij overigens niet in Nederlands-Indië, maar ondersteunden Britse commando’s in Birma. De overige Nederlanders doodden de tijd noodgedwongen met een nieuwe periode van trainen. Tijdens het verblijf in Azië vond de langverwachte invasie van het Europese vasteland plaats. De militairen van No.2 (Dutch) Troop zouden pas op 15 augustus 1944 terugkeren in Groot-Brittannië. Terwijl de Prinses Irene Brigade inmiddels al in Normandië vocht, moesten de commando’s nog ruim een maand wachten voordat ze eindelijk in actie kwamen.

Beeld: NIMH

Vijf commando’s van No.2 (Dutch) Troop (v.l.n.r. N.J. de Koning, G.P. Ubbels, M.J. Knottenbelt, W. van de Veer en R.A. Blatt) in India voor vertrek naar Arakan in Birma in 1944.